#

Door: Wim Berkelaar

In 1986 bestond de Utrechtse Historische Studentenkring zestig jaar, voldoende reden om eens terug te blikken op de geschiedenisstudie in de Domstad. In die terugblik ging het nadrukkelijk over de ‘geest van Geyl’, die er nog zou rondwaren. Opmerkelijk, want Pieter Geyl (1887-1966) – hoogleraar nieuwe geschiedenis in Utrecht vanaf 1936 – was een generatie daarvoor gestorven en zijn opvolger (J.C. Boogman) was ook al met pensioen. En toch…de geest van Geyl, de man die met zijn Groot-Nederlandse gedachte maar vooral met zijn polemieken voor een (liberale) ‘geschiedschrijving zonder eind’ een stempel drukte op de Nederlandse historiografie. Zijn invloed deed zich, althans in Utrecht, waar hij 22 jaar doceerde, twintig jaar na dato nog gelden.

Hoe anders was het gesteld met de reputatie van Adriaan Goslinga (1884-1961), een van de twee eerste hoogleraren geschiedenis aan de Vrije Universiteit. Aan de De Boelelaan was er anno 1980 vrijwel niemand die nog dacht aan Goslinga. Degene die nog wel aan hem dacht, A.Th. van Deursen, toonde zich in Wetenschap en rekenschap, de bundel met beschouwingen over de wetenschapsbeoefening aan de VU bij het eeuwfeest in 1980, tamelijk kritisch over diens historisch oeuvre. Goslinga en zijn collega Aart Arnout van Schelven mochten bij de instelling van de leerstoelen geschiedenis aan de VU in 1918 dan wel de eerste hoogleraren zijn, zeker Goslinga was niet de gedroomde kandidaat volgens Van Deursen. Liever had hij de gereformeerde economisch historicus Z (Zeger).W. Sneller op de post van Goslinga gezien.

De eerste historicus aan de VU
Saillant detail: in 1948, precies dertig jaar na de instelling van de leerstoel, schreef dezelfde Sneller een aantal studies waarin hij Robert Fruin, ook wel de ‘vader’ van de Nederlandse geschiedbeoefening genoemd, centraal stelde. Een van die publicaties ging over Abraham Kuyper, de stichter van de VU, en Fruin. Wie, vroeg Sneller aan Goslinga, was toch de eerste historicus die Kuyper in 1880 aan Fruin had voorgelegd voor een beoogde leerstoel geschiedenis? Het antwoord luidde: de Friese predikant L.H. Wagenaar. Wagenaar was in 1880 gepromoveerd op het proefschrift Het "Reveil" en de "Afscheiding" : bijdrage tot de Nederlandsche kerkgeschiedenis van de eerste helft der XIX eeuw. Fruin – ook door de in Leiden opgeleide Kuyper beschouwd als de historische maat aller dingen – oordeelde echter kritisch over het proefschrift dat hij teveel een eigentijds strijdschrift vond.

Kennelijk was Fruins oordeel over dominee Wagenaar de (voorlopige) doodklap voor een opleiding geschiedenis aan de VU geweest. De rechtsgeleerde D.P.B. Fabius zou de geschiedenis er in de jaren na 1890 bijdoen, maar dat was geen succes en geen lang leven beschoren. Intussen waren er wel degelijk calvinistische historici die aan de weg timmerden, zoals J.C. Breen die het zou schoppen tot gemeentearchivaris van Amsterdam, en H.J. Smit, een degelijk bronnenvorser die altijd in de schaduw van de meer flamboyante Carel Gerretson, de latere hoogleraar koloniale geschiedenis in Utrecht, is gebleven. En niet te vergeten de al genoemde Z.W. Sneller.

De keuze viel in 1918 echter op Goslinga. Goslinga had evenals Geyl in Leiden gestudeerd. Beiden waren leerlingen van P.J. Blok en C.H.Th. Bussemaker, de jong gestorven maar bewonderde leermeester. Die bewondering spreekt uit een brief van Geyl aan Goslinga in 1915, een jaar na de dood van Bussemaker. Zouden de dictaten van Bussemaker niet moeten worden uitgegeven, vroeg Geyl zich af. ‘Zo’n boek zou wel bezorgd moeten worden maar zo’n boek zou aan de nagedachtenis van de goede Bus geen scha doen’, schreef Geyl op 8 augustus 1915. Goslinga zou bij Bussemaker promoveren maar diens ontijdige dood voorkwam dat. Blok, de promotor van Geyl, werd ook zijn promotor. In 1915 verdedigde Goslinga een proefschrift over de regent Simon van Slingelandt die tussen 1727 en 1736 raadspensionaris van Holland was. Het was een typisch Leids historisch proefschrift naar die dagen: het ging over politieke en diplomatieke geschiedenis en had met calvinisme hoegenaamd niets van doen.

Goslinga en de calvinistische geschiedschrijving
Zoals Van Deursen betoogt: Goslinga moest na zijn aantreden in 1918 een draai maken richting calvinistische geschiedschrijving. Hij deed dat met verve, naar het oordeel van zijn nazaat Van Deursen zelfs met iets teveel verve. Goslinga ontpopte zich in zijn inaugurele rede Koning Willem I als verlicht despoot als een apologeet van het calvinisme: dat zou altijd en overal weldadig zijn geweest. ‘Brengt het ons niet al te dicht bij de Kuyperiaanse legende?’, schreef Van Deursen in Wetenschap en rekenschap, daarmee doelend op het beeld van het roemruchte calvinistische verleden dat Abraham Kuyper voor zichzelf en zijn volgelingen had geschapen. Goslinga zou zijn hele verdere loopbaan blijven opereren in de antirevolutionaire en antithetische sfeer (‘Ongeloof en revolutie’) die Groen van Prinsterer als historicus had geproclameerd en die Kuyper op alle terreinen van het leven had gepraktiseerd.

Een grotere levensbeschouwelijke tegenstelling dan die tussen de calvinist Goslinga en de liberaal Geyl was niet denkbaar. Waar Goslinga Kuyper vurig bewonderde, beschouwde Geyl hem blijkens zijn postuum gepubliceerde autobiografie Ik die zo weinig in mijn verleden leef als een ‘brute geweldenaar’.

Ook op Groen had Geyl het niet begrepen. Hij beschouwde Groen veeleer als een ‘evangeliebelijder’ dan als geschiedschrijver. Geyl schreef herhaaldelijk polemische artikelen tegen Groen en zijn interpreten, onder wie Goslinga. Die gaf hem daarop een reprimande, wat Geyl in een brief van 16 mei 1952 deed toegeven ‘dat ik in mijn geprikkeldheid mijn woorden niet op een goudschaaltje gewogen heb, en ik weet heel goed dat Groen van jullie kant niet enkel verheerlijkt wordt.’ Zo bleef de verhouding tussen de studiegenoten in tact. Maar waar de ‘geest van Geyl’ in Utrecht nog lang ronddwaalde, raakte Goslinga na zijn dood snel in vergetelheid.

Wim Berkelaar is als historicus verbonden aan het Historisch Documentatiecentrum voor het Nederlands Protestantisme aan de Vrije Universiteit

Foto: A. Goslinga geeft college, begin jaren vijftig. Still uit de film 'Als een schoon boek. Een filmreportage van de Vrije Universiteit' (1953)

Bronnen
Archief van Adriaan Goslinga, Collectie HDC | Protestants Erfgoed, Universiteitsbibliotheek VU

A.Th. van Deursen, ‘De Vrije Universiteit en de geschiedwetenschappen’, in: M. van Os en W.J. Wieringa, Wetenschap en rekenschap, 1880-1980. Een eeuw wetenschapsbeoefening en wetenschapsbeschouwing aan de Vrije Universiteit (Kampen: 1980)


Dit blog staat in het dossier 'Opleiding geschiedenis 1918-2018'