In 2015 verscheen Herman Bianchi en zijn levenslange strijd voor gerechtigheid, een biografie van de eens spraakmakende criminoloog die tussen 1961 en 1987 hoogleraar was aan de Vrije Universiteit Amsterdam. Het boek verscheen in het jaar van zijn dood. Bianchi (1924-2015) heeft de publicatie van het boek nog mogen beleven, want hij stierf op 30 december van dat jaar. Deze biografie kreeg wel wat recensies maar toch niet de aandacht die het verdient. Het schetst een portret van een bevlogen geleerde die wilde bijdragen aan een betere wereld maar die tegelijkertijd vervuld van zichzelf was.

Door: Wim Berkelaar

Auteur Kees Sluys is een VU-alumnus, die sociologie en criminologie studeerde en die ook onder het gehoor van Bianchi heeft gezeten. De biografie bevat een voorwoord van Ginus Geersing, voorzitter van de Bianchi Herstelrecht Stichting, wat het vermoeden doet rijzen dat het boek in opdracht is geschreven. Dat wekt enige argwaan, een argwaan die wordt versterkt door de titel van het boek: ‘Herman Bianchi en zijn levenslange strijd voor gerechtigheid’ is immers een wat hagiografisch klinkende titel.

De wereld van Bianchi
Gelukkig is niets minder waar. Biograaf Sluys koestert weliswaar bewondering voor de charismatische hoogleraar en stelt dat Bianchi pionierende en vooruitstrevende gedachten had over het bestaande strafrecht van zijn tijd, maar hij verheelt kritiek niet en laat vele stemmen aan het woord, waarin zowel waardering als kritiek voor de bij leven hoogst omstreden criminoloog doorklinkt. Sluys’ boek is zo meer dan een biografie geworden: het is tegelijkertijd een uitermate boeiend groepsportret van criminologisch Nederland, waarin tijdgenoten en kopstukken als Willem Nagel, C.I. Dessaur, Koos van Weringh en Louk Hulsman en passant beschreven worden als onderdeel van de wereld van Bianchi.Herman Bianchi in 1944

Wie was Herman Bianchi? Hij werd in 1924 geboren als zoon van een gemengd godsdienstig gezin: zijn vader was van huis uit katholiek, zijn moeder gereformeerd. Een gelukkige jeugd had hij niet: zijn op zichzelf gerichte vader ging steeds vreemd, zijn moeder en de beide kinderen (Herman Bianchi had nog een oudere zus) dikwijls beschaamd achterlatend. Misschien verklaart de aanwezigheid van een even narcistische als afwezige vader Bianchi’s levenslange zoektocht naar een vaderfiguur. Die vond hij in de christensocialist Piet Meertens (1899-1985), die hij in 1945 ontmoette in kringen rond het links-socialistische tijdschrift De Vlam, dat streefde naar een nieuwe, progressieve naoorlogse ordening van Nederland.

Intussen had de oorlog ook de jonge, in 1944 twintigjarige Bianchi naar eigen zeggen niet onberoerd gelaten. Hij zat dat jaar enige tijd vast in Kamp Amersfoort en zou daar met marteling zijn bedreigd door de kampbewaking. Die marteling bleef achterwege maar het opgesloten zitten in het Kamp en de dreiging van marteling lieten zijn sporen na bij Bianchi, die sindsdien een diepe afkeer voelde van gevangenschap en gevangenis.

Na de bevrijding betrok Bianchi een kamer bij Meertens op de Prinsengracht en zou daar decennia met zijn ‘peetvader’ samenwonen. Hun relatie zou betrekkelijk onopgemerkt zijn gebleven als J.J. Voskuil, jarenlang medewerker van Meertens op het instituut ter bestudering van dialecten, volkskunde en naamkunde (in 1979 omgedoopt tot P.J. Meertens Instituut), in de jaren ’90 zijn omvangrijke, zeven delen tellende sleutelroman Het Bureau niet had gewijd aan (onder veel meer) de relatie tussen Anton Beerta (Meertens) en Karel Ravelli (Bianchi). Voskuil was ervan overtuigd dat Meertens en Ravelli een homoseksuele relatie onderhielden en ergert zich in zijn roman dat beide mannen (vooral Meertens) er zo geheimzinnig over deden.

Biograaf Sluys weerlegt die veronderstelling in zijn biografie: Meertens en Bianchi hadden wel een vader en zoon-relatie maar geen seksuele. Beiden deden in die tijd (niet onbegrijpelijk) geheimzinnig over hun seksualiteit. Om ons te beperken tot Bianchi: hij verkondigde biseksueel te zijn, tot verbazing van mensen in zijn omgeving, die wisten van zijn jarenlange verbinding met de Noor Per Jordal.

Toegangsbewijs student BianchiBianchi studeerde onder invloed van Meertens aanvankelijk Nederlands en Geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam maar stapte over naar de Vrije Universiteit om daar rechten te studeren. Hij trof daar in de slechts acht jaar oudere Isaäc Arend Diepenhorst een toegewijd leermeester. Diepenhorst was, 29 jaar jong, in 1945 benoemd tot hoogleraar aan de Vrije Universiteit en had, bij alle zich openbarende verschillen, in elk geval dit met Bianchi gemeen: homoseksualiteit, al deed Diepenhorst daarover zo mogelijk nog geheimzinniger dan Bianchi.

Oneigentijds en vooruitstrevend
Het was bij Diepenhorst dat Bianchi in 1956 promoveerde op het Engelstalige proefschrift Position and Subject matter of criminology, een theoretisch geschrift waarin tal van filosofen de revue passeren in een poging de criminologie als vak ook wijsgerig te funderen. Het vormde het begin van een reeks vergezichten die Bianchi in de loop van zijn leven dikwijls zou schetsen. Hij had het niet op het praktische handwerk maar beschouwde als ouderwetse erudiet liever het hele veld, dit tot toenemende ergernis van een aantal vakgenoten maar ook tot genoegen van anderen, die zich laafden aan gedachten die als oneigentijds en vooruitstrevend werden beschouwd.

Promotie in 1956: Diepenhorst reikt de bul uit aan HermanOneigentijds waren ze. Bianchi begon een diepe afkeer van het strafrecht te koesteren. Dat zou uit zijn op zinloze vergelding. In plaats daarvan diende ‘herstelrecht’ te komen: dader en slachtoffer zouden, indien mogelijk, tot een verzoening moeten komen, waarbij de dader het leed van het slachtoffer diende te erkennen en het slachtoffer de dader zou moeten vergeven. Bijzonder: Bianchi pleitte voor aandacht voor het slachtoffer in een tijd dat de aandacht van het strafrecht nog helemaal gericht was op de dader.

Maar Bianchi, van meet af aan overtuigd van zijn eigen gelijk, werd alsmaar radicaler en pleitte regelrecht voor afschaffing van het strafrecht, iets dat hem op hoon en weerzin van een deel van zijn vakgenoten kwam te staan. Als meest fervent criticus ontpopte zich Koos van Weringh, eerst werkzaam in Groningen en later hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam tot hij op 52-jarige leeftijd ontslag nam, moe van alle bureaucratische universitaire beslommeringen. Hij meende dat Bianchi, evenals zijn Rotterdamse collega Louk Hulsman, met hun verregaande voorstellen tot liberalisering en zelfs loslaten van het strafrecht ‘de menselijke natuur op sterk water’ zetten.

Vervuld van zichzelf
Bianchi werd wel geraakt door deze en soortgelijke kritiek maar trok zich er niets van aan. Hier openbaarde zich een karaktertrek die door vele informanten (vijanden én vrienden) tegenover Sluys in verschillende toonaarden wordt bevestigd: Bianchi was vervuld van zichzelf en had nauwelijks belangstelling voor anderen, ook niet voor andere denkbeelden die niet in zijn straatje pasten.

Zijn promotor Diepenhorst, die zijn pupil na diens promotie bleef volgen, schreef eens dat Bianchi ‘de ook professorale opdracht om een “belhamel” te zijn, goed vervult.’ Maar hij noteerde tevens, in een kritiek op een van diens geschriften tegen het strafrecht, op de van Diepenhorst gekende subtiele manier: ‘Wat spijtig is dat de lezer herhaaldelijk iets moet aannemen op grond van de overtuiging van de auteur, zonder dat deze zijn zienswijze volledig staaft’.

Staf Criminologisch Instituut, eind jaren zestigDat verwijt zou Bianchi vaker treffen: mooie vergezichten maar waarop waren die gebaseerd? De keur aan filosofen, tot en met de beruchte markies de Sade (door Bianchi als een groot criminoloog beschouwd) die dikwijls de revue passeerde in zijn betogen maakte op de meer praktisch werkende criminologen steeds minder indruk. Anderen echter, vooral jongeren, raakten in de ban van de charismatische en bevlogen spreker, die tenminste iets anders bood dan de dorre wetsartikelen die bij rechten aan de orde kwamen. Menig student koos dan ook na het horen van een college van professor Bianchi voor het vak criminologie.

De Vrije Universiteit is intussen altijd goed geweest voor Bianchi, zo lees je in de biografie. Nadat hij zijn medewerking had verleend aan het boek De homoseksuele naaste (1961) ontving rector magnificus W.F. de Gaay Fortman een briefje van mr. Scheeman, president van de Amsterdamse rechtbank: konden er geen maatregelen worden getroffen tegen deze dubieuze figuur? ‘Gaius’ legde het briefje soeverein terzijde. Ook Diepenhorst, hoeveel bedenkingen hij ook koesterde over zijn radicale pupil, zou Bianchi altijd trouw blijven. De zich van gereformeerde tot ‘bijzondere’ universiteit ontwikkelende VU legde in deze een opmerkelijke coulance aan de dag, dat zij hier met eer opgemerkt.

Afscheidssymposium Je krijgt de indruk dat die coulance vooral van één kant kwam. Bianchi was zo vol van zichzelf dat je al lezend onwillekeurig denkt aan het gezegde: ‘geïnteresseerd in de mensheid, niet in mensen’. Navrant mag het bijvoorbeeld heten dat Bianchi peetvader Meertens vrijwel aan diens lot overliet nadat hij in 1975 door een zware hersenbloeding was getroffen en de laatste tien jaar van zijn leven doorbracht in een verzorgingshuis. Hij werd daar vaker bezocht door diens ondergeschikte en collega Han Voskuil dan door ‘zoon’ Bianchi. Zijn radicale ideeën over het strafrecht gingen intussen zelden vergezeld van de kleine stapjes die nodig (kunnen) zijn om verandering te bewerkstelligen. Bianchi had iets van een profeet en zoals bekend: profeten prediken grote woorden en dat dikwijls met enig gemak, de uitvoering van hun gedachten laten ze evenwel vaak en graag aan anderen over.

Bewonderd
Tegen het eind van zijn lange leven werd ‘eminence grise’ Bianchi bewonderd door leerlingen en wist hij zich omringd door jonge bewonderaars, dikwijls jongemannen die hem met raad en daad bijstonden. Hij had de criminologie achter zich gelaten en ontpopte zich als dichter en romanschrijver – al bleef die literatuur, op een enkele dichtbundel na, ongepubliceerd.
Sluys eindigt zijn van begin tot eind boeiende boek met een door Bianchi geschreven gedicht, getiteld ‘Dag dood’. Een mooi gedicht dat begint met deze strofe:

‘Eens was de tijd zo zwaar als lood
Zodat ik nauwelijks durfde denken
Aan jou, mijn laatste vriend, mijn dood
Die het gewaagd heeft mij te wenken.’

Ruim twee weken nadat hij de leeftijd van 91 jaar had bereikt (op 14 december 2015) wenkte de dood Bianchi en kwam een eind aan een heftig en bepaald niet onomstreden geleerdenleven.

 

Naar aanleiding van: Kees Sluys, Herman Bianchi en zijn levenslange strijd voor gerechtigheid (uitgeverij Bas Lubberhuizen, Amsterdam 2015).

Wim Berkelaar is als historicus verbonden aan het HDC Centre for Religious History aan de Vrije Universiteit Amsterdam.

 


Deel dit artikel