In de medische bibliotheek – ook wel Bouman and Lindeboom Medical Library – staat tussen de boeken in een hoek bij het raam een lichtbruin, houten bureau. Het bureau is een opvallend object in de verder modern ingerichte bibliotheek. Wanneer je erachter plaatsneemt, valt op dat er een beschermende glasplaat bovenop het blad ligt. Verder zijn er een paar wetenschappelijke woordenboeken en een zwart-wit foto van natuurkundige Niels Bohr te zien. Helemaal rechts vind je een beschrijving die bij het bureau hoort en de bezoekers beknopt laat kennismaken met de eerste gebruiker. De laden zijn leeg, op één na. In de bovenste bevindt zich namelijk een A4’tje met daarop een fragment uit een emailwisseling tussen twee wetenschapshistorici over dit bureau en zijn eerste gebruiker: Reijer Hooykaas (1906–1994).

Door: Jelmer Heeren, promovendus

Voorbij het bureau

In 1946 werd Hooykaas als eerste in Nederland benoemd op een leerstoel voor de geschiedenis van de natuurwetenschappen. Tot en met 1971 zou hij aan de Vrije Universiteit verbonden blijven. Hij had grote interesse in de bredere culturele verbanden waarbinnen wetenschap zich ontwikkelde en hij introduceerde een verplichte cursus daarover voor alle studenten in de natuurwetenschappen. Hooykaas zelf was bepaald geen studeerkamergeleerde. Hij was scheikundige van opleiding en benadrukte dat de (her)ontdekking van de ervaring, het zintuiglijke, het empirische, een belangrijke rol had gespeeld bij de totstandkoming van de moderne wetenschap tijdens de zogenaamde wetenschappelijke revolutie. Dit stelde hij tegenover het rationele, a priori nadenken over de werkelijkheid: het type wetenschap waarvoor je het bureau niet hoeft te verlaten.

Zo beargumenteerde hij bijvoorbeeld dat de vijftiende-eeuwse Portugese ontdekkingsreizen, ondernomen door eenvoudige zeelui, er mede voor zorgden dat het beeld van de werkelijkheid dat gevormd was door de antieke Griekse filosofie – goed doordacht, maar niet empirisch onderbouwd – begon af te brokkelen. Zo kwamen de Portugezen er bijvoorbeeld achter dat het zuidelijk halfrond helemaal niet te heet was om te bewonen en dat de nachtelijke sterrenlucht er anders uitzag dan de oude boekenkennis voorschreef. Speciaal voor dit onderzoek leerde Hooykaas de Portugese taal. En niet zonder resultaat: hem werd in 1969, live op de Portugese televisie, een eredoctoraat van de universiteit van Coimbra toegekend. Hij zorgde er met anderen voor dat de geschiedenis van de natuurwetenschappen een verplicht vak werd aan Portugese universiteiten. Hooykaas verkende zo allerlei nog niet ontgonnen kennisvelden, vaak door zijn eigen bureau te verlaten: te reizen, overal ter wereld contacten te leggen, en archieven en bibliotheken te bezoeken. De Britse wetenschapshistoricus John North schrijft over hem: “It is significant that when I first met him it was 300 metres underground in a Polish saltmine.”

Geloof en wetenschap

Het belang dat Hooykaas hechtte aan de empirie, leidde er soms toe dat hij van harte kon instemmen met denkers met een totaal andere levensovertuiging dan hijzelf had. Hooykaas was een traditionele Protestant, maar hij citeerde met instemming de uitspraak van de atheïst en bioloog Thomas Huxley: “Sit down before facts as a little child, be prepared to give up every preconceived notion, follow humbly wherever and to whatever abysses nature leads or you shall learn nothing.”

Vanaf het begin van zijn loopbaan was Hooykaas geïnteresseerd in de relatie tussen wetenschap en geloof, of breder: wetenschap en wereldbeschouwing. Door talloze historische casussen te analyseren, herkende hij een variëteit aan verschillende relaties tussen wetenschap en geloof. Zo keek hij onder andere naar de ontwikkeling van de geologie in de negentiende eeuw, en thema’s uit de geschiedenis van de scheikunde, atoomtheorie en alchemie. Hoewel het een populair adagium was (en is) dat wetenschap en geloof noodzakelijkerwijs in conflict met elkaar zijn, liet Hooykaas zien dat dit in de geschiedenis niet het geval was. Zodoende deed hij belangrijk voorwerk voor wat later de ‘complexiteitsthese’ zou gaan heten: het idee dat wetenschap en religie zich op zeer uiteenlopende manieren tot elkaar verhouden en dat deze complexiteit alleen maar ontrafeld kan worden door middel van gevalstudies.

VU-erfgoed

hooykaas-A4.jpgDe bijgaande beschrijving rechts op het bureau geeft een inkijk in de herkomst en het belang van het bureau. Zo leren we dat het bureau in de jaren 40 is aangeschaft en dat het in 2019 deel is geworden van de collectie academisch erfgoed (onderdeel van de Bijzondere Collecties UB), beheerd door conservator Liselotte Neervoort. Uit het e-mailfragment tussen voormalige VU-wetenschapshistorici Ida Stamhuis en Harry Snelders op het A4’tje in de lade, leren we iets over de allereerste setting van het bureau. Snelders, ooit Hooykaas’ assistent en later zelf hoogleraar wetenschapsgeschiedenis, schrijft:

“Hooijkaas had in de Lairessestraat [= het vroegere gebouw van de faculteit wis- en natuurwetenschappen – JH] een grote kamer door de faculteit voorzien van bureau, slaapbank en een groot aantal boekenkasten. Hooijkaas zelf had er een antieke tafel met vier stoelen ingezet die ik na zijn vertrek naar Zeist hebben laten overbrengen. Wat er van de inventaris over is gebleven is inderdaad het bureau en een paar van de kasten. Ik vind het een origineel idee om het bureau als erfgoed te bewaren. Het heeft een hele geschiedenis achter de rug.”

En inderdaad; menig VU-wetenschapshistoricus heeft aan dit bureau gezeten: Martin J.S. Rudwick, Hooykaas’ directe opvolger, diens opvolger Snelders en ook Stamhuis deden aan dit bureau hun onderzoek. Ook de huidige VU-universiteitshistoricus Ab Flipse werkte enige tijd aan dit bureau toen het nog in het W&N-gebouw stond, en schreef er onder meer zijn proefschrift.

Slot

Hooykaas bleef tot ver na zijn emeritaat op wetenschappelijk gebied zeer productief. Maar toen deed hij zijn werk achter een ander bureau in zijn huis in Zeist. Een zinsnede uit een brief, uit 1983, van een Japanse student van hem, getuigt van zowel Hooykaas’ wetenschappelijke activiteiten achter het bureau als van zijn wil om datzelfde bureau achter zich te laten en op een ervarings- en ontdekkingstocht te gaan: “Drie en tachtige jarige professor omringd door de op 18de eeuw gemaakte meubelen en bijna verborgen achter de boeken en zijn geschreven manuscripten, zeide tegen mij dat indien Japan mij zal uitnodigen hij naar Japan zou willen gaan.” Hooykaas zou nooit naar Japan gaan (voor zover bekend), maar niet omdat hij niet achter zijn bureau vandaan kwam. Integendeel al zijn wetenschappelijk werk getuigt ervan dat hij verder keek dan zijn bureau lang was.

Vanaf februari 2021 werkt Jelmer Heeren aan een promotieonderzoek over de betekenis van het werk van Hooykaas. Dit project wordt mogelijk gemaakt door de VUVereniging, die het project ondersteunt, omdat het bijdraagt aan de doelstelling van de Vereniging. Zie meer over het project 'De conflict-these voorbij: Reijer Hooykaas (1906-1994)' op de site van VUVereniging.

Bronnen

Hisarshi en Eiko Ariga, in een brief aan Reijer Hooykaas, mei 1989, doos 60 in het prof. dr. R. Hooykaas wetenschappelijk archief, archief nr. 719, Noord-Hollands Archief, Haarlem,

M. P. Diogo, A. Carneiro en A. Simões, “Perspectives on Contemporary History of Science in Portugal,” Nuncius 23(2) (januari 2008): 252-255,

A.C. Flipse, “De VU schrijft geschiedenis: De nieuwe universiteitsgeschiedenis en de toekomst van het VU-verleden,” lezing gehouden bij de aanvang van werkzaamheden als universiteitshistoricus van de Vrije Universiteit op de “Middag van de VU-historie,” 20 juni 2013,

F. van Lunteren, “Geology and Christianity,” Isis 109(1) (maart 2018): 126,

J.D. North, “Reijer Hooykaas: 1 augustus 1906 – 4 januari 1994,” Levensberichten en Herdenkingen, KNAW (1994): 58.

 


Deel dit artikel