#

Geschiedenis studeren kan aan de Vrije Universiteit sinds 1918. In dat jaar werden twee hoogleraren in de geschiedenis benoemd: A. Goslinga (1884-1961) en A.A. van Schelven (1880-1954). In dit artikel geef ik een schets van de opleiding geschiedenis in de begintijd, en trek ik enkele lijnen door naar het heden.

Ab Flipse

Een klein begin, 1918-1945

De VU, opgericht in 1880, was in de eerste driekwart eeuw van haar bestaan sterk verbonden met de gereformeerde zuil, die aan het eind van de negentiende eeuw was ontstaan onder leiding van theoloog, journalist en politicus Abraham Kuyper. In de eerste decennia na de stichting stond het onderwijs binnen de faculteit Letteren vooral in dienst van de theologie, met colleges in klassieke talen en Hebreeuws. Binnen de faculteit Theologie bestond overigens wel kerkhistorische belangstelling en er vonden ook enkele kerkhistorische promoties plaats, waaronder die van Van Schelven in 1908.

Vanaf 1918 doceerden Van Schelven en Goslinga voor een handvol studenten beiden een vak ‘Algemeene Geschiedenis’ en ‘Vaderlandsche Geschiedenis’. De taken waren chronologisch verdeeld. Van Schelven richtte zich op de geschiedenis tot 1648 (Middeleeuwen, Reformatie, tot de vrede van Munster) en Goslinga op de periode daarna. De studie bestond uit twee delen – eerst tot aan het kandidaatsexamen, daarna het doctoraalexamen – en voor beide was wettelijk vastgelegd hoeveel uur college gevolgd moest worden alvorens voor een bepaald vak (mondeling) tentamen mocht worden gedaan. De invulling van de vakken werd echter grotendeels aan de hoogleraren overgelaten. Er zat ook geen logische opbouw in de studie, en studenten die in verschillende jaren waren begonnen volgden gezamenlijk college. Bij ‘Vaderlandsche Geschiedenis’ gaf Goslinga bijvoorbeeld een jaar lang college over ‘De Fransche tijd’, daarna een jaar over ‘Het koninkrijk der Nederlanden tijdens de vereeniging met België’, gevolgd door ‘De laatste tien jaren van Koning Willem I en de regeering van Koning Willem II’ en nog een jaar later over ‘De bloeitijd van het liberalisme (1848-1872)’, om vervolgens de reeks weer opnieuw te beginnen.

In totaal behaalden tot 1945 vijftien studenten het doctoraal geschiedenis. Colleges vonden plaats in het toenmalig hoofdgebouw van de VU aan de Keizersgracht 162-164. In 1900 had Abraham Kuyper zelf kortstondig op nr. 164 gewoond – voordat het huis bij de universiteit werd getrokken – zodat studenten grappend tegen elkaar konden zeggen dat ze college hadden ‘in de slaapkamer van Abraham Kuyper’.


#

Verbreding, 1945-1970

Na de oorlog veranderde er aanvankelijk nog weinig. De Letterenfaculteit was kleinschalig en gereformeerd. De colleges volgden hetzelfde stramien: eerste-, tweede- en derdejaars volgden gezamenlijk college, waarbij ze noteerden wat de docenten voorlazen. In de meeste vakken kon pas na drie jaar tentamen worden gedaan en de voorbereiding bestond uit het bestuderen van de collegestof en enkele boeken. Voor de kandidaatsfase werd zo’n vijf jaar uitgetrokken, waarna de doctoraalstudie nog eens drie jaar duurde. De afstand tussen hoogleraren en studenten was groot, maar studenten werden wel zo nu en dan uitgenodigd op theevisite thuis, waar er keurig werd geconverseerd met de professor en zijn vrouw.

Goslinga was inmiddels een dagje ouder geworden en dat kwam de kwaliteit van de colleges niet ten goede. Aan het begin duurde het even voor hij z’n gehoorapparaat goed had ingesteld, waarna hij wat in zijn papieren rommelde en begon voor te lezen. Vragen stelde hij op prijs, maar het kostte zoveel moeite om de aandacht van de dove professor te trekken, dat de meeste studenten dit na één poging voor gezien hielden.

De eerste nieuwe hoogleraar in deze periode was H. Smitskamp, benoemd in 1947. Smitskamp had zelf gestudeerd aan de VU en in 1940 was hij bij Van Schelven gepromoveerd op Groen van Prinsterer als historicus. Hoewel hij gespecialiseerd was in de negentiende eeuw, zou hij zich nu, als opvolger van Van Schelven, bezighouden met een veel eerdere periode. Toen Goslinga met emeritaat ging, kreeg Smitskamp in 1956 echter diens leerstoel: geschiedenis van de nieuwe tijd en historiografie. M.C. Smit, in 1950 zelf gepromoveerd bij Smitskamp, werd nu benoemd voor de middeleeuwen en theorie der geschiedenis. Meer benoemingen volgden: G.J.D. Aalders voor oude geschiedenis, W.J. Wieringa voor economische en sociale geschiedenis, en J. Roelink, eerst voor didactiek, later middeleeuwen. Langzaam maar zeker groeide geschiedenis uit tot een bredere opleiding, waarin gekozen kon worden uit vier hoofdvakken: oude geschiedenis, middeleeuwen, nieuwe tijd, of economische & sociale geschiedenis.

De VU begon als geheel in deze periode te groeien – nieuwe faculteiten, nieuwe studierichtingen, meer studenten en meer docenten. De panden aan de Keizersgracht werden te klein. Uiteindelijk zouden de VU-bestuurders kiezen voor de bouw van een nieuwe campus in Buitenveldert, maar voor het zover was, werden steeds meer panden in de binnenstad en Oud-Zuid in gebruik genomen om het groeiende aantal studenten op te vangen. De Letterenfaculteit verhuisde in 1961 naar een villa bij het Vondelpark, de Van Eeghenstraat 112. Na een tussenstop op de Koningslaan 31, zouden de historici in 1970 onderdak vinden in het nieuweHoofdgebouw in Buitenveldert.

In 1957 werd de ‘Vereniging van Studenten in de Geschiedenis aan de Vrije Universiteit’ (VSGVU) opgericht. Studenten van de Letterenfaculteit hadden tot die tijd een gezamenlijke vereniging gehad, maar nu er steeds meer studierichtingen kwamen, en het aantal studenten toenam, was er behoefte aan een eigen vereniging voor de historici. De vereniging had aanvankelijk een wat formeel, corporaal karakter: men vergaderde vier maal per jaar, waarbij sprekers van buiten werden uitgenodigd, en er werden excursies georganiseerd. In de loop der tijd zou ze zich steeds meer met de belangenbehartiging van studenten gaan bezighouden. In 1962 organiseerde de vereniging een onderwijsenquête, waaruit bleek dat de studenten niet helemaal tevreden waren met het gegeven onderwijs. Suggesties voor verbetering betroffen een strakkere organisatie van de opleiding, het instellen van vaste spreekuren van de hoogleraren, het aanstellen van een studiebegeleider, en het invoeren van werkcolleges. De studiebegeleider en de vaste spreekuren kwamen er. Vanaf midden jaren zestig zou de studie ook meer gestructureerd worden, waarbij de studie een duidelijker opbouw kreeg. Werkcolleges zouden echter nog even op zich laten wachten. Inmiddels waren er echter veel grotere veranderingen op komst.

De VU sinds 1970

Net als de andere universiteiten maakte de VU in de jaren zestig en zeventig een onstuimige groei door. Het aantal studenten groeide van zo’n 3000 in 1960 tot zo’n 13.000 in 1980. Bij geschiedenis meldden zich in de jaren zeventig elk jaar meer dan 50 eerstejaars aan, waardoor het totaal aantal studenten in korte tijd tot meer dan 300 groeide. Tegelijkertijd veranderde de religieuze overtuiging van zowel studenten als personeel. Waar in 1950 nog 80% van de studenten van de VU gereformeerd was, was dat eind jaren zeventig nog slechts een derde. Studenten kozen steeds vaker om andere dan religieuze redenen voor de VU of werden niet bij de universiteit van hun eerste keuze ingedeeld. Dit alles zorgde voor een andere cultuur en sfeer. Dit werd nog eens onderstreept door de verhuizing naar de nieuwe campus, waardoor de band met het verleden – de oude stadspanden – ook symbolisch werd doorgesneden.

Maar er was meer aan de hand aan de universiteiten. Ook aan de VU begonnen links-radicale studenten zich te roeren. In navolging van bezettingen van de Tilburgse Katholieke Hogeschool en de gemeentelijke Universiteit van Amsterdam (het Maagdenhuis) werd in juni 1969 het toenmalige VU-bestuursgebouw, het Provisorium, bezet. De studenten wilden ook aan de VU een democratische bestuursstructuur en eisten medebeslissingsrecht voor alle geledingen in de universiteit. Er volgden enkele roerige jaren, waarbij studenten herhaaldelijk overgingen tot bezetting van universiteitsgebouwen. Onder verantwoordelijkheid van minister G. Veringa kwam in 1970 de Wet Universitaire Bestuurshervorming (WUB) tot stand, die een ingrijpende hervorming van de bestuurlijke verhoudingen aan de universiteiten behelsde. De uitwerking en invoering van de WUB verliep moeizaam. Op alle niveaus werden echter democratische besluitvorming ingevoerd, en praatten en beslisten studenten vanaf nu mee.

Ook de VSGVU werd aangeraakt door de linkse tijdgeest. Als ‘Merlijn’ ontwikkelde ze zich begin jaren zeventig tot een radicaal-linkse, politiek uitgesproken club. De roep om democratisering ging hand in hand met pleidooien om de studie ook inhoudelijk te veranderen: de studie zou een nuttige bijdrage moeten leveren aan het oplossen van de problemen van de maatschappij. Mede onder invloed van de studenten werden nu nieuwe hoofdvakken ingevoerd: ‘Nieuwste Tijd’ en ‘Niet-westerse Geschiedenis’. De koers van Merlijn was echter zo radicaal dat een deel van de studenten zich er niet meer thuis voelde. Dit leidde tot de oprichting van een alternatieve vereniging in 1979: ‘Archimedes’. Deze vereniging zou, toen de verhoudingen weer waren genormaliseerd, in 1986 ophouden te bestaan.

Na de democratische jaren zeventig zou het universitaire bestuur vanaf de jaren tachtig geleidelijk worden hervormd naar een bedrijfskundig model. In 1998 leidde dit tot de Wet Modernisering Universitaire Bestuursorganisatie (MUB). Deze ingrijpende organisatieverandering betekende de opheffing van de universiteitsraad; ook op facultair niveau verdween het democratisch bestuur. Tegelijkertijd was er sprake van forse bezuinigen en toenemende druk om onderzoek en onderwijs ‘efficiënt’ te organiseren. Dat had gevolgen voor de inrichting van de studie: er moest sneller en efficiënter gestudeerd worden. In 1982 werd, in het kader van de zogenaamde ‘Tweefasenstructuur’, de nominale studieduur drastisch teruggebracht tot vier jaar: een eenjarig propedeuse werd gevolgd door een doctoraal van 3 jaar.

In 2002 veranderde de structuur van de studie opnieuw: de Bachelor-Master-structuur werd ingevoerd. Een driejarig programma leidde op tot Bachelor of Arts (BA), daarna kon nog één (of twee) jaar worden gestudeerd voor de Master of Arts (MA). Verschillende kleinere letterenstudies zouden al deze veranderingen niet overleven, maar Geschiedenis vond zichzelf keer op keer opnieuw uit. De opleiding Geschiedenis is, bijna een eeuw nadat de eerste historici aan de VU werden benoemd, nog altijd springlevend.

Meer weten?

- Sjon Besseling e.a. (red.), Merlijn en de tijdgeest. Een kleine geschiedenis van een studentenvereniging, 1957-1997 (Amsterdam 1997).

- A.Th. van Deursen, ‘De Vrije Universiteit en de geschiedwetenschappen’, in: M. van Os en W.J. Wieringa (red.), Wetenschap en rekenschap. 1880-1980. Een eeuw wetenschapsbeoefening en wetenschapsbeschouwing aan de Vrije Universiteit (Kampen 1980).

- Mans Kuipers e.a., Van Weledelgeborenen tot Aktivistens. Dertig jaar V.S.G.V.U. Merlijn 1957-1987 (Amsterdam 1987).

Archieven m.b.t. de geschiedenis van de VU zijn toegankelijk via het Historisch Documentatiecentrum voor het Nederlands Protestantisme (HDC). Aanwezig zijn het Oud Archief van de VU (bestuursarchieven, facultaire archieven, etc.), het archief van studievereniging Merlijn, en verschillende hooglerarenarchieven. Voor een overzicht van de aanwezig (VU-)archieven, zie: www.hdc.vu.nl/nl/collectie/archieven/

Ab Flipse is universiteitshistoricus van de VU.


Dit blog maakt deel uit van het dossier 'Opleiding geschiedenis 1918-2018'