#

Door: Maarten J. Aalders

VU-Student Gerben Meynen publiceerde in 1935 onder het pseudoniem Bernard van Bergen een roman over het studentenleven aan de VU. Althans, dat had uitgeverij Kok er van gemaakt door die woorden op het omslag te vermelden. Dit prikkelt de belangstelling van de historicus, want de roman is daarmee mogelijk een mooie bron voor een tot nu toe nauwelijks betreden onderzoeksgebied: de geschiedenis van het studentenleven aan de VU. Biedt de roman wat de uitgever belooft?

Meynen zelf had achteraf echter spijt van de woorden op het omslag: de vlag dekte de lading niet. Dat constateerden ook verscheidene recensenten: dit was geen boek over het studentenleven aan de VU, maar over het intieme geloofsleven van een theologisch student, die worstelt met de vraag of hij wel roeping tot het predikantsambt heeft. Het boek werd bepaald niet goed ontvangen. Sommige invloedrijke recensenten hebben het nogal afgekraakt, en dat was volgens de uitgever reden voor de zeer slechte verkoop.

Ook de historicus Arie van Deursen, in zijn boek uit 2005 over de geschiedenis van de VU Een hoeksteen in het verzuild bestel, had er geen goed woord voor over. Hij ziet in de auteur de vertegenwoordiger van de ‘dorpsjongens’ die aan de VU gingen studeren, als (de later bekende theoloog) Joh. Verkuyl, maar met minder gaven van hoofd en hart, zodat ze dorpsjongens bleven, ook als hun kennis toenam. Hij plaatst deze roman tegenover een boek dat enkele jaren later verscheen, Gods Woord in het studentenleven, dat onder redactie stond van de befaamde Amsterdamse predikant S.G. de Graaf. Van Deursen verwijst in dit verband naar een opmerking van prof. L. van der Horst. Die stelde in zijn rectorale oratie uit 1936 dat in Nederland de meeste studenten afkomstig waren uit gezinnen van academici en andere hoogopgeleiden. Aan de VU betrof dat slechts 20 %, en daarvan was de helft domineeskind. Kortom: vooral dorpsjongens, daar aan die VU.

De roman: inzicht in het studentenleven van de VU?
De roman van Van Bergen, zo stelt Van Deursen, is daarom, ondanks de matige kwaliteit, een ‘welkom geschenk’, want studenten van dit type ‘plegen in de bronnen weinig sporen na te laten’. Juist daarom was de roman overigens ‘voor de corpsstudent […]een steen des aanstoots’. Daarmee is de roman van Meynen, die toch al geen goede recensies had, definitief neergesabeld als prutswerk.

Wat opvalt, is dat Van Deursen hier de plank op minstens twee punten misslaat. Hij doet dat op zo’n manier dat hij zijn eigen adagium – de doden rechtdoen – ontrouw is geworden. De doden, inclusief Meynen, kunnen zich niet meer verdedigen. Dat rechtdoen begint met grondig onderzoek, een weg waarop Van Deursen zijn sporen meer dan verdiend heeft. Maar heeft Van Deursen het zich hier niet te gemakkelijk gemaakt? Was het in 2004 – toen hij zijn onderzoek deed – echt niet mogelijk geweest uit te vinden dat achter Bernard van Bergen student Gerben Meynen schuilging? Het tweede punt van kritiek is dat Van Deursen de strekking van de roman niet begrepen heeft en zich wellicht te veel heeft laten leiden door een recensie uit een studentenblad. Over beide punten nog iets meer.

De auteur van de roman
De schrijver kwam uit een typische VU-familie. Zijn grootvader J. Meynen was hoofdonderwijzer in Groningen. Hij was hervormd, maar ging in 1886 met de Doleantie mee, de kerkscheuring die onder leiding stond van Abraham Kuyper. Grootmoeder Meynen-van Riemsdijk was de dochter van de welgestelde Kamper sigarenfabrikant Van Riemsdijk. Toen het kerkverband dat was voortgekomen uit de Doleantie zich in 1892 verenigde met de kerken die voortgekomen waren uit een eerdere kerkscheuring, de Afscheiding van 1834, volgde ook grootvader Meynen deze beweging. Zo werden hij en zijn nazaten lid van de Gereformeerde Kerken in Nederland. Twee van de zonen werden predikant. De vader van de auteur was predikant in Rinsumageest, Voorburg, Vlaardingen en Baarn, de moeder van de auteur was Trijntje IJnzonides, dochter van een arts, kleindochter van een (hervormd) predikant. Ook in de derde generatie kwamen predikanten voor: onder anderen de schrijver van Wat eeuwig zeker is... en zijn oudere broer.. Een neef van de schrijver werd minister en later VU-bestuurder, twee zoons studeerden theologie. De kleinzoon van de schrijver, genoemd naar zijn grootvader, is theoloog, filosoof en psychiater, universitair docent aan de VU en bijzonder hoogleraar in Tilburg.

Deze ‘dorpsjongen’ wordt door Van Deursen min of meer vergeleken met corpsstudenten als W.F. de Gaay Fortman en I.A. Diepenhorst – beiden speelden later een belangrijke rol in de geschiedenis van de VU als hoogleraar en rector; beiden zouden ook enige tijd minister zijn. Zij waren volgens Van Deursen veel minder ‘kleinburgerlijk’. Maar ook Meynen was lid van het Corps, van 1932-1933 was hij zelfs lid van de Senaat. Punt is, en daar heeft Van Deursen gelijk in, dat Meynen over de VU of over de Gereformeerde Kerken bepaald niet kritisch schrijft. Daarin verschilde hij aanwijsbaar van De Gaay Fortman en Diepenhorst. Maar op dat punt hadden juristen het gemakkelijker dan theologen: de laatsten moesten immers nog als predikant aan de slag zien te komen. En niet alle studenten hebben last van een ‘Sturm und Drang’-periode in hun leven.

De strekking van de roman
Zwaarder dan het feit dat Van Deursen de auteur geen rechtdoet, weegt het feit dat hij de strekking van deze roman niet begrepen heeft. Het is geen ‘roman over het studentenleven aan de V.U.’, zoals het omslag vermeldt. Een omschrijving die overigens op de titelbladzijde niet voorkomt. Heeft hij dat niet gezien? Omdat Van Deursen bovendien een paar keer citeert uit een recensie, bekruipt me zelfs de vraag of hij de roman zelf wel gelezen heeft. Natuurlijk, op de achtergrond speelt de VU een rol, maar het kan een intelligente en geoefende lezer toch niet zijn ontgaan dat de VU slechts het decor vormt, maar dat de hoofdrol wordt gespeeld door het zielenleven van de student. Deze roman gaat niet over de VU, maar over de vraag of de hoofdpersoon wel roeping tot het predikantsambt heeft.

Voor wie aan de VU theologie studeerde, was niet de godsdienst voorwerp van studie, maar God, voor zover Hij zich geopenbaard heeft. En het is geen mens geraden Gods Woord te verkondigen als hij daartoe niet geroepen was, zo vond men. Ben ik wel geroepen? Vooral onder de gereformeerden die voortkwamen uit de Afscheiding van 1834, die een sterk ‘bevindelijke’ inslag hadden, woog deze vraag zwaar. De navolgers van Kuyper, die met de Doleantie de Hervormde Kerk hadden verlaten, hadden in het algemeen een ‘rationelere’, ‘nuchterder’ geloofsopvatting. Toch was het ook in die kring een belangrijke kwestie. De vraag was en is natuurlijk, hoe men zal weten dat men ‘geroepen’ is. Het lijkt er op dat Meynen een enigszins bevindelijke inslag had. In bijzondere gebeurtenissen worden aanwijzingen van God gezien. Maar dat is tegelijkertijd het probleem waartegen Meynen zich verzet. Het boek wil ervoor waarschuwen daar al te veel waarde aan te hechten. In die zin is hij een typische vertegenwoordiger van de Doleantie. Aan de andere kant ging hij niet mee met hen die zich in die jaren tegen alle bevindelijkheid keerden. Uiteindelijk is alleen de trouw van God blijvend en zeker.

Of de roman daarmee toch een goed boek is? Nee, dat geloof ik niet. Maar ik geloof wel met Van Deursen dat het de taak van de historicus is de doden recht te doen en ik meen daaraan een kleine bijdrage te hebben geleverd door iets recht te zetten.


Maarten J. Aalders is freelance historicus en houdt zich in het bijzonder bezig met de kerk- en religiegeschiedenis vanaf 1795. Momenteel richt zijn onderzoek zich op de geschiedenis van het studentenleven aan de VU. Dit leidde onder meer tot publicatie van de
Database studenten 1880-1940 op deze website.

Onlangs publiceerde hij het artikel ‘Wat eeuwig zeker is ... van Bernard van Bergen. Een campus novel over de VU?’, in L.J. Dorsman en P.J. Knegtmans (red.), Spiegel of lachspiegel. De betekenis van de campus novel voor de wetenschaps- en universiteitsgeschiedenis (Hilversum 2015), p. 76-80. In het Historisch Tijdschrift GKN 32, december 2015, blz 29-41 schreef hij samen met Dick Kaajan een artikel over de strekking van de roman, ‘Romanfragment’.