U bent hier : Home / Tijdlijn

Tijdlijn

Welkom op de tijdlijn van de VU!

Deze tijdlijn geeft de sleutelmomenten weer uit de geschiedenis van de Vrije Universiteit Amsterdam sinds de oprichting in 1880.



  1. VU-Vereniging

    Op 5 december 1878 werd de VU-Vereniging (destijds voluit: Vereeniging voor Hoger Onderwijs op Gereformeerde Grondslag) opgericht. Deze Vereniging moest de stichting van een ‘Vrije Universiteit’ mogelijk maken. Op 12 februari 1879 kreeg deze Vereniging van koning Willem III goedkeuring van haar statuten. Het initiatief voor de vereniging lag bij een aantal vooraanstaande Amsterdammers van orthodox-protestantse overtuiging, onder wie de gereformeerde voorman Abraham Kuyper en de rijke bierbrouwer Willem Hovy. De Vereniging ging op zoek naar hoogleraren; ook moest er een startkapitaal worden vergaard van tenminste 100.000 gulden, zoals door de wet was voorgeschreven. Hoogleraren werden, met enige moeite, gevonden. Hovy schonk een kwart van het benodigde geld en vele anderen doneerden naar vermogen. De ‘vrije’ universiteit kon van start gaan. De Vereniging had de universiteit in het leven geroepen en zou in het bestuur van de instelling lange tijd een belangrijke rol spelen. Het college van directeuren was het hoogste bestuurscollege, en ging over de aanstellingen en financiën. Hovy zou van 1879 tot 1896 de eerste voorzitter van het college van directeuren zijn.

    Bekijk volledige pagina

    Herengracht 143, woonhuis Willem Hovy, waar besloten werd tot de oprichting van de Vereniging, en de VU.
  2. Dies Natalis

    De plechtige opening van de Vrije Universiteit vond plaats in de Nieuwe Kerk in Amsterdam op 20 oktober 1880. Abraham Kuyper werd de eerste rector en hij hield de bekend geworden redevoering ‘Soevereiniteit in eigen kring’. In deze openingsrede verdedigde Kuyper de stichting van een eigen vrije universiteit, vanuit het perspectief van zijn organische staats- en maatschappijbeschouwing. Daarin zijn allerlei maatschappelijke gebieden autonoom: ze moeten elkaar niet overheersten. Daarom moeten universiteiten bijvoorbeeld ‘vrij’ zijn van de staat, maar ook van de kerk. Bij dat laatste dachten Kuyper en zijn medestanders vooral aan de predikantenopleiding die in die dagen, in hun optiek, teveel gekleurd was door de (vrijzinnige) synode van de Nederlandse Hervormde Kerk. Universiteiten moesten volgens Kuyper ook vrije zijn van de staat. Ze moesten uit kunnen gaan van eigen beginselen. Voor de Vrije Universiteit waren dat de gereformeerde beginselen. De VU begon met vijf hoogleraren. Voor de faculteit Godgeleerdheid: Kuyper, F.L. Rutgers en Ph.J. Hoedemaker. Voor Letteren: F.W.J. Dilloo; en voor Rechtsgeleerdheid: D.P.D Fabius. Een handvol studenten stond ingeschreven.

    Bekijk volledige pagina

    Abraham Kuyper Fotocollectie HDC
  3. Pedel aangesteld

    Als eerste pedel in vaste dienst werd aangesteld P.A. de Planque. De Planque was al als pedel opgetreden tijdens de Dies natalis . Bij de achterban was toen overigens enige deining ontstaan over de pedelstaf, die voor deze gelegenheid speciaal was gemaakt. Deze was getooid met een Minervabeeldje, en de vraag was wat dit ‘heidense’ symbool aan een gereformeerde universiteit deed. Kuyper verdedigde zich door te wijzen op dat de VU hiermee aansloot bij de academische traditie en op het feit dat de wetenschap was gestart bij de Grieken. Op 1 januari 1884 werd de eerste pedel opgevolgd door F.C. Neumann jr. Op 1 april 1924 werd de heer L.W. van Sintemaartensdijk als pedel aangesteld. Deze zou jarenlang pedel zijn, en generaties studenten herinneren zich hoe ze zich als nieuw student bij hem moesten inschrijven in het Album Discipulorum.

    Bekijk volledige pagina

    Pedellenstaf, 1975 Fotocollectie HDC
  4. Studentencorps

    De eerste lichting VU-studenten richtte in februari 1881 een vereniging op: de ‘Oratorische Vereniging Da Costa’, kort daarna omgezet in de vereniging ‘Soli Deo Gloria’. In de navolgende decennia kwamen echter twee partijen tegenover elkaar te staan. De vraag was of alle VU-studenten lid mochten worden (een ‘generaal’ corps) of slecht zij die persoonlijk hun instemming met de grondslag van de VU betuigden (een ‘speciaal’ corps). Het verschil van mening liep zo hoog op dat er tussen 1896 en 1901 twee verenigingen bestonden. In 1901 werd de eenheid echter hersteld en bestond er één ‘Studentencorps aan de Vrije Universiteit’ onder de zinspreuk ‘Nil Desperandum Deo Duce’, met verschillende ‘oratorische verenigingen’ (disputen).

    Bekijk volledige pagina

    Senaat Studentencorps N.D.D.D. achter bestuurstafel, 1908 Fotocollectie HDC
  5. Keizersgracht 162 universiteitsgebouw

    Het gebouw Keizersgracht 162 werd op 17 december 1883 voor 41.000 gulden op een veiling gekocht. Dit gebouw zou jarenlang het ‘moedergebouw ‘ van de Vrije Universiteit vormen. De eerste colleges begonnen al in februari 1884. In de zomer erna werd het grondig verbouwd. De officiële opening vond plaats in 1885, in aanwezigheid van de burgemeester van Amsterdam. Op verzoek van de VU verving de gemeente het plaveisel van keien voor het huis door houten blokken om het geratel van karrenwielen te dempen. In de eerste jaren woonden er studenten op de bovenverdieping, maar om meer studenten te kunnen onderbrengen werd er in 1887 in de tuin een nieuw gebouw gezet om studenten te huisvesten: het Hospitium. In de loop der jaren werden ook buurpanden aangekocht. Tot in de jaren zestig vormden deze panden het hart van het universitaire leven.

    Bekijk volledige pagina

    Keizersgracht 162 Fotocollectie HDC
  6. Eerste promoties

    W.H. de Savornin Lohman was de eerste student die promoveerde aan de VU, en wel in de Faculteit der Rechtsgeleerdheid. Hij was de zoon van de hoogleraar A.F. de Savornin Lohman. Net als andere VU-promovendi (en studenten) moest Lohman zijn promotie nog eens overdoen aan de (gemeentelijke) Universiteit van Amsterdam. De VU had in de eerste 25 jaar nog geen ‘civiel effect’, dat wil zeggen de verleende graden waren nog niet maatschappelijk erkend. H.H. Kuyper, zoon van Abraham Kuyper zelf, zou op 6 januari 1891 als eerste promoveren in de Faculteit Godgeleerdheid. Bij Letteren vond de eerste promotie, van F.F.C. Fischer, plaats op 19 oktober 1892.

    Bekijk volledige pagina

    Twee titelbladen van het proefschrift van W.H. Lohman
  7. Seinpost-affaire

    De zogenaamde Seinpost-affaire is een pijnlijke episode uit de begintijd van de VU. De jurist A.F. de Savornin Lohman werd toen als hoogleraar min of meer gedwongen te vertrekken. Lohman was een van de stichters van de VU en vanaf het begin curator. In 1884 werd hij hoogleraar in de Rechten en hij was, naast en tegenover Abraham Kuyper, een zelfstandig denker. Een al langer bestaand verschil van inzicht tussen Lohman en Kuyper kwam naar buiten toen in 1894 in de senaat werd gestemd over de betekenis van de statuten van de VU, met name de term ‘gereformeerde beginselen’, waarbij Lohman en zijn zoon zich keerden tegen de (strikte) interpretatie van de rest van de senaat. Op de jaarvergadering van de Vereniging in hotel Seinpost in Scheveningen werd een klacht ingediend tegen het onderwijs van Lohman. De critici stelden voor om een commissie te benoemen om de zaak verder te onderzoeken. Lohman beschouwde deze actie als doorgestoken kaart van kant van Kuyper, die inderdaad een rol speelde op de achtergrond. De commissie moest weliswaar erkennen dat er op geen enkele concreet punt principieel bezwaar was tegen het onderwijs van Lohman, maar toch luidde het oordeel dat Lohmans onderwijs niet in overeenstemming was met de gereformeerde beginselen. In september 1896 vroeg Lohman zijn ontslag aan, wat hem op 7 oktober 1896 eervol werd verleend. Door het vertrek van Lohman zou de VU nog meer dan al het geval was het stempel van Abraham Kuyper krijgen. In 1980, het jaar van het eeuwfeest van de VU, zou de rector magnificus H. Verheul, met nadruk wijzen op het onrecht wat Lohman destijds was aangedaan, en zich inspannen om zijn persoon en werk opnieuw onder de aandacht te brengen binnen de VU.

    Bekijk volledige pagina

    Hotel Seinpost, Scheveningen, 1895 Fotocollectie HDC
  8. Kuyper in Amerika

    In 1898 reisde Abraham Kuyper naar de Verenigde Staten om een eredoctoraat (in de rechten) van Princeton University in ontvangst te nemen en een lezingenreeks te verzorgen bij het naastgelegen Theological Seminary. In deze zes zogenaamde Stone Lectures, sprak Kuyper over het calvinisme in verband met de historie, de religie, de staatkunde, de wetenschap, de kunst en de toekomst. Na zijn verblijf in Princeton maakte Kuyper een rondreis, onder andere langs de grote steden aan de oostkust en de Nederlandse emigrantengemeenschappen in het Midden Westen. In de vele lezingen die hij hield, sprak hij over de betekenis van het calvinisme voor de moderne samenleving, ook in Amerika. Hij bleef uiteindelijk vier maanden in de Verenigde Staten. Kuypers verblijf in Amerika resulteerde in een forse toename in belangstelling voor zijn ideeën in Amerika. De Amerikaanse belangstelling voor het neocalvinisme is onverminderd groot, getuige bijvoorbeeld een groot aantal vertalingen van Kuypers werk dat inmiddels is verschenen.

    Bekijk volledige pagina

    Overtocht naar Amerika Fotocollectie HDC
  9. Kuyper minister-president

    In juli 1901 werd Abraham Kuyper, na een succesvolle verkiezingsuitslag van de confessionele partijen, door koningin Wilhelmina benoemd tot formateur. Kuyper zelf werd minister van Binnenlandse zaken in een coalitiekabinet van anti-revolutionairen, christelijk-historischen en rooms-katholieken. Als vaste voorzitter van de ministerraad – tot die tijd rouleerde het voorzitterschap – werd hij ook de eerste minister-president van Nederland. Kuyper verhuisde nu naar Den Haag, stopte als hoogleraar aan de VU, en zou niet meer naar Amsterdam terugkeren. De door hem gegeven colleges werden aanvankelijk waargenomen door de hoogleraren H.H. Kuyper, W. Geesink en F.L. Rutgers. Uiteindelijk zou Herman Bavinck, tot die tijd hoogleraar in Kampen, Kuyper op 17 december 1902 opvolgen als hoogleraar dogmatiek aan de VU.

    Bekijk volledige pagina

    Kuyper als minister-president. Met tekst voor dochter J.H. Kuyper. Fotocollectie HDC
  10. Civiel effect

    In 1905 wist Kuyper een wetsvoorstel door de Staten-Generaal te loodsen waardoor de titels en graden van de VU het zogenaamde civiel effect kregen. Maar dit ging niet zonder moeite. Na langdurige discussies in de Tweede Kamer, werd het voorstel van Kuyper door de confessionele meerderheid gesteund en aangenomen. Echter, in de Eerste Kamer, werd het wetsvoorstel aanvankelijk door een liberale meerderheid weggestemd. Kuyper besloot toen de Eerste Kamer te ontbinden. In een nieuwe samenstelling werd het voorstel nu ook in de Eerste Kamer aangenomen. Deze weinig elegante – maar niet ongrondwettelijke – kunstgreep van Kuyper kwam hem op veel kritiek te staan, maar de graden van de VU waren nu wel erkend, m.u.v. de graden van de Faculteit Godgeleerdheid: de VU wilde geen overheidsbemoeienis met de theologische faculteit. Deze erkenning was namelijk niet zonder voorwaarden. In de wet was expliciet gesteld dat de universiteit binnen vijfentwintig jaar, in 1930 dus, vier en binnen vijftig jaar vijf faculteiten diende te hebben, met aan elke faculteit tenminste drie gewone hoogleraren. Groei was dus noodzakelijk voor het voortbestaan. Het paste ook bij de idealen. Kuyper had reeds bij de opening van de universiteit over de vijf traditionele faculteiten van een volledige universiteit gesproken: Theologie, Rechten, Letteren, maar ook: Geneeskunde, en Wis- en Natuurkunde.

    Bekijk volledige pagina

    Kabinet-Kuyper in vergadering
  11. Geneeskunde

    Na de wijziging van de Wet op het Hoger Onderwijs, in 1905, werd een voortvarende start gemaakt met de opbouw van een Medische Faculteit. In 1907 werd L. Bouman benoemd tot hoogleraar in de ‘psychiatrie en algemene biologie’ en werd besloten een psychiatrisch-neurologische kliniek te stichten, in samenwerking met Vereeniging tot Christelijke verzorging van krankzinnigen en zenuwlijders in Nederland. Deze kliniek werd in 1910 geopend aan het Valeriusplein: de Valeriuskliniek. Bouman was de eerste geneesheer-directeur.

    Bekijk volledige pagina

    Valeriuskliniek, 1933 Fotocollectie HDC
  12. Physiologisch laboratorium

    Na de benoeming van Leendert Bouman en de opening van de Valeriuskliniek werd een volgende stap gezet in de uitbouw van de medische faculteit met de bouw van een fysiologisch laboratorium. Op 29 november 1916 werd de eerste steen gelegd voor een Physiologisch Laboratorium, naast de Valeriuskliniek, aan het Valeriusplein. Op 22 januari 1918 vond de officiële opening plaats. F.J.J. Buytendijk, die in 1914 was benoemd tot lector in de algemene biologie, zou hier de leiding krijgen. In 1919 werd Buytendijk hoogleraar met een leeropdracht voor fysiologie en algemene biologie.

    Bekijk volledige pagina

    Tekening Physiologisch laboratorium Fotocollectie HDC
  13. Start opleiding geschiedenis

    Vanaf 1918 kan er geschiedenis gestudeerd worden aan de VU, toen er twee hoogleraren werden benoemd in de geschiedenis: A. Goslinga en A.A. van Schelven. Van Schelven en Goslinga doceerden voor een handvol studenten beiden een vak ‘Algemeene Geschiedenis’ en ‘Vaderlandsche Geschiedenis’. De taken waren chronologisch verdeeld. Van Schelven richtte zich op de geschiedenis tot 1648 (Middeleeuwen, Reformatie, tot de vrede van Munster) en Goslinga op de periode daarna. Bekijk ook het dossier Opleiding Geschiedenis 1918-2018

    Bekijk volledige pagina

    A. Goslinga HDC
  14. Studententoneel

    Gereformeerden stonden vanouds kritisch tegenover cultuuruitingen als toneel en dans. VU-studenten waren hier in de jaren twintig minder strikt in en dit leidde enkele malen tot forse kritiek vanuit de achterban. Tweemaal werd de gereformeerde achterban van de VU opgeschrikt door toneelspelende studenten. De eerste keer was in 1920 toen studenten bij de viering van het lustrum van het studentencorps het toneelstuk ‘De tante van Charley’ opvoerden. De tweede maal betrof het een opvoering van het stuk ‘Saul en David’ in 1924. De verontwaardiging in gereformeerde over het toneelspel was vooral in 1924 groot en leidde tot klachten en ingezonden brieven en uiteindelijk ook kritiek van het VU-bestuur op de studenten. De meningen onder de VU-hoogleraren waren overigens verdeeld: ‘Walgelijk, walgelijk, driedubbel walgelijk’, schreef de theoloog V. Hepp in 1924. F.J.J. Buytendijk was zelf bij de voorstelling aanwezig geweest en hij zag er geen kwaad in, evenmin als A. Anema, hoogleraar aan de juridische faculteit.

    Bekijk volledige pagina

    'De tante van Charley', 1920 Fotocollectie HDC
  15. Dooyeweerd en Vollenhoven benoemd

    Kort na elkaar vonden er in 1926 twee benoemingen plaats die belangrijk zouden zijn voor de ontwikkeling van de filosofie aan de VU. Op 15 oktober aanvaardde H. Dooyeweerd het hoogleraarschap in de rechtenfaculteit; op 26 oktober D.H.Th. Vollenhoven in de faculteit Letteren & Wijsbegeerte. Dooyeweerd had rechten gestudeerd aan de VU, en was sinds 1922 directeur geweest van Dr. Abraham Kuyperstichting, het wetenschappelijk bureau van de ARP. Vollenhoven had theologie gestudeerd aan de VU en was predikant geweest. Hun wijsgerige ideeëncomplex, waarin ze voortbouwden op het gedachtengoed van Kuyper, kwam bekend te staan als ‘Calvinistische wijsbegeerte’, of ook wel – naar de titel van Dooyeweerd hoofdwerk – ‘Wijsbegeerte der Wetsidee’. Een belangrijke inzicht uit deze wijsbegeerte is dat wetenschap nooit neutraal is, maar uitgaat van bepaalde (religieuze) vooronderstellingen. Daarom is het mogelijk een verbinding tot stand te brengen tussen geloof en wetenschap. Ook werd een reductionistische visie op de wetenschap bekritiseerd en benadrukt dat vakwetenschappen nooit de hele werkelijkheid kunnen beschrijven, maar alleen aspecten daarvan. Deze filosofie was vernieuwend en brak met allerlei gereformeerde vanzelfsprekendheden, wat leidde tot spanningen tussen de filosofen en sommige andere VU-wetenschappers. Alle studenten van de VU volgden in de decennia die volgden colleges wijsbegeerte van Vollenhoven en Dooyeweerd of een van hun leerlingen en maakten op deze manier kennis met de Calvinistische wijsbegeerte.

    Bekijk volledige pagina

    De Wijsbegeerte der Wetsidee (1935-36), van H. Dooyeweerd
  16. Uitbreidingsplannen

    In de jaren twintig werd er intensief nagedacht over verdere uitbreiding van de VU; in 1930 zou de VU minstens vier faculteiten moeten hebben. De medische faculteit, waarmee een begin was gemaakt met de aanstellingen van Bouman en Buytendijk, bleek te kostbaar om verder uit te breiden. Bovendien verruilden Bouman en Buytendijk halverwege de jaren twintig de VU voor een hoogleraarspost aan een andere universiteit. De vraag was of men zich wel een kostbare medische faculteit zou kunnen veroorloven. Men kon ook doorgaan met de medische faculteit in afgeslankte vorm, maar het zou dan noodzakelijk zijn een aantal bijzondere hoogleraren te benoemen aan andere universiteiten. Een andere optie was om te beginnen met een faculteit voor wiskunde en natuurwetenschappen. Men koos uiteindelijk, op de jaarvergadering van 7 juli 1927, voor die laatste optie, onder meer omdat deze goedkoper was. Bovendien was een natuurwetenschappelijke faculteit in feite een eerste stap naar een medische faculteit, omdat geneeskundestudenten ook allerlei natuurwetenschappelijke vakken moesten volgen. Er moest wel haast gemaakt worden met de verwezenlijking ervan. Er waren minstens drie hoogleraren nodig, die zowel wetenschappelijk bekwaam waren als ‘recht in de leer’. De combinatie bleek schaars. Toch werden op tijd drie hoogleraren - J. Coops voor scheikunde, G.J. Sizoo voor natuurkunde en J.F. Koksma voor wiskunde - aangesteld. Met gepaste trots kon bij het vijftigjarig bestaan worden stilgestaan bij het feit dat de vierde volledige faculteit aan de VU kon worden toegevoegd en dat het civiel effect van de VU-graden behouden zou blijven.

    Bekijk volledige pagina

    College van directeuren, 1929 Fotocollectie HDC
  17. Faculteit der Wis- en Natuurkunde

    Met de benoeming van de hoogleraren J. Coops (scheikunde), G.J. Sizoo (natuurkunde) en J.F. Koksma (wiskunde) in 1929 en 1930 kon de faculteit Wis- natuurkunde van start. De vierde faculteit moest volgens de wet in 1930 een feit zijn, en was dus net op tijd gerealiseerd. De bezetting was, met drie gewoon-hoogleraren, echter minimaal. Er hadden zich voor het eerste jaar negen studenten aangemeld, maar er waren nog geen collegezalen, practicumruimtes of laboratoria. Met beperkte middelen werd begonnen met het onderzoek en alle colleges werden gegeven door de drie hoogleraren (en de buitengewoon hoogleraar M. van Haaften voor verzekeringswiskunde). Het aantal studenten groeide in tien jaar tijd tot zo’n honderdvijftig. De eerste studenten richten in 1931 een studievereniging op: de Natuurphilosophische Faculteitsvereniging, die lezingen en excursies organiseerde. Na de Tweede Wereldoorlog zou de faculteit een snelle groei doormaken. Er werden nieuwe ‘subfaculteiten’ opgericht: biologie in 1950 en geologie in 1960. Het aantal studenten nam snel toe, er kwamen meer docenten en er werd nieuwe apparatuur aangeschaft. Het oude laboratorium werd begin jaren zestig te klein en in 1965 verhuisden de wis- en natuurkundigen naar een nieuw laboratorium in Buitenveldert. In 1975 volgden ook de scheikundigen. In de jaren tachtig werden de subfaculteiten zelfstandig, maar in 1998 ontstond uit een fusie van de faculteiten scheikunde, natuur- & sterrenkunde en wiskunde & informatica de ‘nieuwe’ Faculteit der Exacte Wetenschappen; geologie en biologie vormden samen de Faculteit ‘Aard- en levenswetenschap’. Deze faculteiten zijn in 2017 op hun beurt weer gefuseerd tot Faculteit der Bètawetenschappen, waarmee in feite in de ene ‘ongedeelde faculteit’ Wis- en Natuurkunde uit 1930 weer een feit is.

    Bekijk volledige pagina

    De hoogleraren G.J. Sizoo, J. Coops en J.F. Koksma, en de buitengewoon hoogleraar M. van Haaften. Fotocollectie HDC
  18. Halve-eeuwfeest

    Het vijftigjarig bestaan van de VU werd in 1930 gedurende drie dagen groots gevierd. Duizenden belangstellenden kwamen naar Amsterdam om deel te nemen aan de 'toogdagen' van de universiteit. Het lustrum werd geopend met een gebedsdienst in de Keizersgrachtkerk. Verder waren er officiële bijeenkomsten in het Concertgebouw waar een onafzienbare rij sprekers het woord voerde. Ook waren er meer ontspannende onderdelen als een ontvangst en een rondvaart voor reünisten, een feestmaaltijd in het paviljoen van het Vondelpark waar ook prins Hendrik aanzat, een fakkeloptocht van studenten, een officiële receptie in de concertzaal van Artis, en ter afsluiting van de lustrumviering (nogmaals) een feestmaaltijd in Hotel Krasnapolsky, die door 500 gasten werd bijgewoond. De feestvreugde was vooral zo groot omdat kort hiervoor drie hoogleraren voor de exacte vakken waren benoemd, waarmee de vierde faculteit gestart kon worden en de VU haar ‘effectus civilis’ behield. Er verscheen een ‘Gedenkboek’ met de gehouden redevoeringen, en een boek van de hand van J. Rullmann over de geschiedenis van de VU 1880-1930; ook verscheen er een publicatie met bijdragen van hoogleraren over hun vakgebied.

    Bekijk volledige pagina

    Fakkeloptocht in het Vondelpark, ter gelegenheid van het 50-jarig bestaan. Fotocollectie HDC
  19. Vrouwen VU-hulp en VU-busje

    De Vrije Universiteit kreeg in de eerste driekwart eeuw van haar bestaan geen overheidssubsidie en was volledig afhankelijk van giften. In 1932 werd door enkele vrouwen uit de achterban het ‘VU-plan 1937’ gestart, speciaal bedoeld om geld in te zamelen voor de oprichting van een medische faculteit. De actie zou uitgroeien tot de organisatie ‘Vrouwen VU-hulp’, met als eerte presidente, mw. S. Verdam-Okma. De vrouwen maakten bij hun spaaractie gebruik van het VU-busje met de beeltenis van Abraham Kuyper. De organisatie werd een groot succes en op het hoogtepunt, in de jaren zestig, waren er 115.000 vrouwen bij aangesloten. Het VU-busje werd het symbool van de band tussen de VU en de gereformeerde achterban.

    Bekijk volledige pagina

    VU-busje, 1979 Fotocollectie HDC
  20. Natuurkundig en Scheikundig Laboratorium

    Vanaf 1930 werden de colleges voor wis-, natuur- en scheikunde gegeven op verschillende locaties verspreid over de stad, maar in 1933 werd een prachtig nieuw laboratorium in gebruik genomen aan de De Lairessestraat 174 in Amsterdam-Zuid. Het ontwerp was van B.T. Boeyinga. De bouw van het laboratorium kon goeddeels worden betaald uit de opbrengsten van een jubileumactie, die ruim 4 ton had opgeleverd. De officiële opening vond plaats op 17 maart 1933, waarbij onder andere directeur H. Colijn een toespraak hield. Met de Valeriuskliniek en het Physiologisch Laboratorium om de hoek was nu in Amsterdam-Zuid een tweede concentratie van VU-gebouwen ontstaan, naast het hoofdgebouw aan de Keizersgracht.

    Bekijk volledige pagina

    Laboratoria aan de De Lairessestraat Fotocollectie HDC
  21. Honderdste geboortedag A. Kuyper

    In het jaar 1937 werd in gereformeerde kring veel aandacht gegeven aan de persoon en het werk van Abraham Kuyper, die honderd jaar eerder geboren was. De VU organiseerde op 28 oktober een bijzondere bijeenkomst in de Apollohal in Amsterdam. Tijdens deze bijeenkomst werd de opbrengst van het ‘Vrouwen VU-plan’ bekendgemaakt en overhandigd aan directeuren. Het betrof 325.000 gulden ten behoeve van de wis- en natuurkundige en medische faculteit. Op de bijeenkomst werd onder andere het woord gevoerd door minister-president H. Colijn, de Amsterdamse burgemeester De Vlugt, directeuren en curatoren, de rector-magnificus, en de presidente van het Vrouwen VU-Plan, mw. S. Verdam-Okma.

    Bekijk volledige pagina

    Apollohal. Aanbieding van de opbrengst van de actie Vrouwen VU plan 1937, door mw S. Verdam-Okma. Fotocollectie HDC
  22. Oorlogstijd

    In de eerste maanden na de Duitse inval stelde de VU zich afwachtend op. Na de zomer werden de colleges gewoon weer hervat.Met steeds nieuwe maatregelen die werden uitgevaardigd, werd het echter steeds duidelijker dat de Nederlandse universiteiten niet om een principiële keuze heen konden. In de loop van de oorlog nam de repressie en bemoeizucht van Duitse zijde toe. In het voorjaar van 1943 werden studenten opgeroepen voor de 'Arbeitseinsatz' in Duitsland en verplicht om een zogenaamde loyaliteitsverklaring te tekenen. De VU-leiding besloot nu de universiteit te sluiten. Ondergronds ging het werk wel door. Studenten deden tentamen bij hoogleraren thuis, of schriftelijk. Waar een enkele VU-hoogleraar een weifelende houding had of zelfs pleitte voor onderwerping aan het Duitse gezag, volgde de rector magnificus V.H. Rutgers een duidelijke lijn van verzet. Rutgers was actief in het gereformeerde verzet, gaf leiding aan de ondergrondse ARP en schreef in het illegale blad Trouw. Begin april 1944 zou hij, na een poging om per schip Engeland te bereiken, worden opgepakt en gevangengezet. Op 5 februari 1945 overleed hij in Duitse gevangenschap. In de zomer 1943 werd de hoogleraar rechtswetenschap J. Oranje gekozen tot rector magnificus. Oranje was een principieel man; risico’s schuwde hij niet. Zo trok hij in februari 1944 half Duitsland door om studenten die daar te werk waren gesteld te bemoedigen en hen aan te sporen te vluchten of sabotage te plegen. Kort na de oorlog werd hij ernstig ziek. Zijn gezondheid was tijdens de bezetting zwaar aangetast. Op 6 april 1946, op de leeftijd van 47 jaar, overleed hij. Verschillende VU-gebouwen groeiden tijdens de bezetting uit tot haarden van verzet, onder leiding van hoogleraren als de chemicus J. Coops, en de pedagoog J. Waterink. Coops moest uiteindelijk zelf onderduiken, maar zou worden gearresteerd en gevangengezet. In april 1945 werd hij, in zeer slechte gezondheid, door de Amerikanen bevrijd uit de beruchte strafgevangenis Remscheid-Lütteringhausen in Duitsland. Kort na de bevrijding keerde hij in Nederland terug.

    Bekijk volledige pagina

    V.H. Rutgers, 1940 Fotocollectie HDC
  23. Bevrijding en herdenking

    In mei 1945 werd de bevrijding gevierd. In de loop van juni vonden alweer de eerste kandidaats- en doctoraal examens plaats. Op 25 juni werd met een openingscollege door de rector magnificus J. Oranje de VU officieel heropend op een bijeenkomst in het Minerva-paviljoen. De slachtoffers werden in officiële bijeenkomsten herdacht. In 1951 werd besloten tot het vervaardigen van een gedenkplaat voor de gevallenen. Deze gedenkplaat werd aangebracht in het gebouw van de VU aan de Keizersgracht en op 3 mei 1952 onthuld door de rector, D.H.Th. Vollenhoven. Met de verhuizing naar het huidige hoofdgebouw van de universiteit in Buitenveldert in de jaren zestig is de gedenkplaat aangebracht op een centrale plaats in het nieuwe gebouw, tegenover de ingang van de aula. Na de oorlog verscheen het boek De Vrije Univeristeit in oorlogstijd met daarin redevoeringen die tijdens en na de oorlog waren gehouden. Dit is sinds mei 2020 ook digitaal beschikbaar. In september verscheen over het herdenken en het herdenkingmonument aan de VU de bundel Een oorlogsplaquette ontrafeld.

    Bekijk volledige pagina

    Gedenkplaquette oorlogsslachtoffers Fotocollectie HDC
  24. Sport en cultuur: ASVU en S.A.U.L.

    Na de oorlog werd, net als aan andere Nederlandse universiteiten, geprobeerd het gemeenschapsgevoel aan de VU te stimuleren en het studentenleven te vernieuwen. Het Corps kreeg in deze periode geleidelijk een minder belangrijke plaats en er kwamen andere initiatieven van en voor studenten naast het traditionele studentenleven. In november 1945 werd de ‘Algemene Sportvereniging Vrije Universiteit’ (ASVU) opgericht en op 14 december 1945 de culturele vereniging ‘Societas Artis Amantium Universitatis Liberae’ (S.A.U.L.) met als doel ‘de culturele belangstelling en de artistieke prestaties van de studenten aan de Vrije Universiteit te bevorderen’. In 1962 ging S.A.U.L. over in de Algemene Culturele Commissie, afgekort: ACC, (in 1973 Algemeen Cultureel Centrum). In de kring van S.A.U.L. ontstonden in de loop der tijd het Studentenkoor aan de Vrije Universiteit (1950); en in 1962 werd er een kamerorkest opgericht door dirigent Otto Klap, dat zou uitgroeien tot een groot symfonieorkest.

    Bekijk volledige pagina

    Repetitie Studentenkoor VU, o.l.v. Reinhardt van Randwijk. Uilenstede. 1970 Fotocollectie HDC
  25. Vrouwelijke studenten en oprichting VVSVU

    In 1946 werd de Vereniging voor vrouwelijke studenten aan de Vrije Universiteit (VVSVU) opgericht. Deze vereniging kwam voort uit de vrouwendisputen Pallas en Phoinix binnen het VU-corps, die ontstaan waren in de jaren dertig. De eerste vrouwelijke studente had zich overigens al in 1905 ingeschreven, maar meisjesstudenten bleven aan de VU lange tijd een uitzondering. Pas in jaren 20 en 30 nam hun aantal toe, hoewel het er – ook in vergelijking met andere universiteiten – weinig bleven: eind jaren dertig slechts 8% van het totaal aantal studenten. Het was ondermeer de groei van het aantal vrouwelijke studenten die ertoe leidde dat zij zich wilden afsplitsen van het corps. De aanleiding voor de splitsing zou een gebeurtenis zijn geweest op het ‘Beatrix-feest’ op 31 januari 1946, waarbij mannelijke studenten de dames de deur zouden hebben gewezen. De VVSVU huurde aanvankelijk een gedeelte van het pand van SSRA aan de Leidsegracht 108. Vanaf 1955 vond de vereniging een onderkomen aan de Paulus Potterstraat 36: Club MANSIO (Murex Affluens Nitore Sublastus Intelligenter Opulentat), vanaf 1959 in het souterrain van de Willemsparkweg 123. In 1971 zou de VVSVU met het VU-corps fuseren.

    Bekijk volledige pagina

    Dies VVSVU, 1947 Fotocollectie HDC
  26. Start Economie

    In 1948 werd de Faculteit der Economische en Sociale Wetenschappen gestart. Voor de oorlog was de eerste aanzet tot de oprichting gegeven, toen een commissie werd geïnstalleerd die de koers uit moest zetten voor een nieuwe faculteit economie. De reden dat men als vijfde faculteit nu eerst aan een economische faculteit dacht, en niet aan de medische, was vooral van financiële aard. Economie was veel goedkoper. De faculteit begon met drie hoogleraren: de economisch historicus Z.W. Sneller, de bedrijfseconoom F.L. van Muiswinkel en de algemeen econoom J. Zijlstra. F. de Roos kwam een jaar later en nam de macro-economie, de internationale economische betrekkingen en alles wat met geld te maken had voor zijn rekening. Zijlstra bleef niet lang: in 1952 werd hij minister van Economische Zaken. Van 1963 tot 1966 was hij weer aan de faculteit verbonden als buitengewoon hoogleraar. Van 22 november 1966 tot 5 april 1967 was Zijlstra minister-president en minister van financiën. Later werd hij president van De Nederlandsche Bank.

    Bekijk volledige pagina

    De Eco-circ, zelfgebouwd mechanisch model voor de economie dat gebruikt werd in het onderwijs Erfgoedcollectie UB
  27. Eerste vrouwelijke hoogleraar.

    Met de benoeming van Gezina van der Molen in 1949, was de eerste vrouwelijke hoogleraar aan de VU een feit. In 1946 was zij al benoemd als privaatdocent volkenrecht, drie jaar later tot buitengewoon hoogleraar, waarna ze ten slotte in 1958 gewoon hoogleraar in het volkenrecht en de internationale betrekkingen werd. Van der Molen was in 1917 begonnen aan een opleiding tot leerling-verpleegster, maar gestimuleerd door de VU-hoogleraar Anema werd zij journalistiek actief. In 1924 begon ze aan de studie rechten aan de VU. Vijf jaar later behaalde ze haar doctoraal, om in 1937 (als eerste vrouw aan de VU) te promoveren. Hierna werd zij opnieuw journalistiek actief. Na de inval van Duitsland nam zij vrijwel direct stelling en in 1941 weigerde ze, als eindexamengecommitteerde, de ariërverklaring te tekenen. Begin 1943 werd Van der Molen een van de oprichters van het verzetsblad Trouw. In hetzelfde jaar raakte ze, samen met haar vriendin Mies Nolte, betrokken bij het redden van joodse kinderen. Na de bevrijding, als voorzitter van de Rijkscommissie Oorlogspleegkinderen (OPK), oordeelde Van der Molen dat het voogdijschap over de joodse weeskinderen niet de afkomst maar de levensovertuiging van de ouders bepalend moest zijn - hierdoor zouden veel weeskinderen aan de (christelijke) pleegouders worden toegewezen. Haar houding is daarom altijd omstreden gebleven. Voor de een is zij een heldin van het verzet tegen nazisme en rassenhaat. Anderen hebben forse kritiek: zij redde joodse kinderen weliswaar het leven, maar ontnam ze ook hun identiteit.

    Bekijk volledige pagina

    Ambtsaanvaarding G.H.J. van der Molen, AMVJ-gebouw, 1949 Fotocollectie HDC
  28. Faculteit der Geneeskunde

    De medische faculteit was een langgekoesterde wens bij de achterban van de VU, met het oog op de zo gewenste ‘christenartsen’. De eerdere poging om een medische faculteit te starten met de benoeming van L. Bouman in 1907, en kort daarna F.J.J. Buytendijk, waren gestrand met hun vertrek naar andere universiteiten. Daarna was de psychiater L. van der Horst, directeur van de Valeriuskliniek, lange tijd de enige medicus aan de VU. Het zou tot 1950 duren voor er een faculteit was die het vereiste minimum aantal van drie hoogleraren had. Onder hen was G.A. Lindeboom (1905-1986), lange tijd een van de gezichtsbepalende hoogleraren van de faculteit. Daarna zou de uitbreiding van de faculteit zeer snel gaan en in korte tijd zou Geneeskunde uitgroeien tot een van de grotere faculteiten van de VU.

    Bekijk volledige pagina

    G.A. Lindeboom Collectie UB VU
  29. Eerste nummer Ad Valvas

    Op 1 september 1953 verscheen het eerste nummer van Ad Valvas: een gevouwen A-4-tje, samengesteld door de VU-administrateur met zakelijke mededelingen. Ad Valvas groeide uit tot de universiteitskrant, en verscheen in 1965 voor het eerst op A-4 wit glans. Het blad transformeerde in 1972 tot een ‘krant’ op tabloidformaat, dat geheel in overeenstemming met de tijdgeest ‘een demokratisch onafhankelijk geredigeerd blad’ wilde zijn. Eindredacteur werd de beroepsjournalist Pieter Bückmann. In 1973 stond hij alweer op straat na een conflict over een artikel over een bezetting van het VU-hoofdgebouw door studenten. Een raadscommissie uit de universiteitsraad kwam in februari 1973 met een voorstel voor een betere organisatorische opzet en beleid. Ad Valvas zou ‘informatieverstrekkend en opinie registrerend’ moeten zijn, ‘doorgaans zonder weergave van de eigen opvattingen van de redactie’. De hoofdredacteur Jan van der Veen hield het langer uit dan zijn voorganger: zo’n zestien jaar. Ad Valvas ontwikkelde zich gestaag na nog vele, soms verhitte discussies over de redactionele onafhankelijkheid. In de jaren tachtig werd het rustiger en zakelijker aan de Nederlandse universiteiten, wat zich weerspiegelde in de berichtgeving in Ad Valvas. Sinds 2012 transformeerde Ad Valvas met als hoofdredacteur Marieke Schilp, tot een onafhankelijk ‘platform’ – website en tweewekelijks magazine -, voor medewerkers en studenten.

    Bekijk volledige pagina

    Eerste nummer Ad Valvas
  30. Uitbreiding en plannen nieuwe campus

    Na 1948 werd pand na pand aangekocht en gehuurd om het toenemend aantal studenten, en de uitbreiding met faculteiten en studierichtingen op te vangen. Er werd ook nagedacht over een structurelere oplossing voor de toekomst. Die werd gevonden in Buitenveldert. De aankoop van een flink stuk land halverwege de jaren vijftig leek voldoende te zijn om op termijn de hele universiteit (inclusief een academisch ziekenhuis) te huisvesten. Onder leiding van ir. C.A. Doets, de bouwdirecteur, ging men voortvarend aan de slag. De groei van de universiteit ging echter sneller dan verwacht en het complex bleek uiteindelijk niet toereikend te zijn. Ook moest de VU, voordat de nieuwbouw betrokken kon worden, blijven uitkijken naar tijdelijke gebouwen. Een reeks panden verspreid over de hele stad werden gekocht of gehuurd . In de loop van de jaren vijftig en zestig breidde de VU zich als een olievlek uit in vooral Oud-Zuid. Met de plannen voor de campus aan de De Boelelaan moest haast worden gemaakt, want de combinatie van nieuwbouw, onderhoud, koop en huur, was duur. Eerst verrezen het academisch ziekenhuis, het wis- en natuurkundegebouw en de medische faculteit. Het hoofdgebouw werd officieel geopend in 1973. Een korte-termijn oplossingen was de bouw van het ‘provisorium’. Dit tijdelijke gebouw werd eind 1966 in gebruik genomen en het bleef in gebruik, ook toen het hoofdgebouw was geopend. Dit kwam omdat de nieuwe behuizing, hoe groots opgezet, toch al te klein was. Toen de grond in Buitenveldert in 1955 werd aangekocht, telde de VU iets meer dan 2000 studenten. Toen het hoofdgebouw officieel werd geopend door koningin Juliana in 1973, waren er meer dan 10.000 studenten. Daarna groeide de VU minder hard, maar de verdere groei van het aantal studenten vanaf het jaar 2000 maakt dat op de campus nog steeds creatief met ruimte moet worden omgesprongen.

    Over de geschiedenis van de campus: Gert-Jan Burgers, Ab Flipse & Linda van Maaren, Brains, Buildings, Business: de Vrije Universiteit en Zuidas CLUE+ Research Institute, Vrije Universiteit Amsterdam 2019; Ab Flipse, 'De Vrije Universiteit Amsterdam als cité universitaire: Tussen gebouwencomplex en campus', A. Flipse, & A. Streefland (Eds.), De universitaire campus: Ruimtelijke transformaties van de Nederlandse universiteiten sedert 1945 (HIversum: Verloren, 2020)

    Bekijk volledige pagina

    plannen voor VU-campus, ca. 1965 Uit: Bouw, 1973
  31. Creatie en evolutie

    Creatie en evolutie is de titel van een spraakmakend boek van VU-bioloog Jan Lever, dat verscheen in 1956. De in Utrecht gepromoveerde dierkundige Lever was in 1950 benoemd als lector aan de VU, toen er een begin werd gemaakt met de richting biologie binnen de Faculteit der Wiskunde en Natuurwetenschappen. De uitbreiding van de faculteit was onder meer nodig met het oog op het onderwijs voor de geneeskundestudenten. In 1952 werd Lever hoogleraar. Lever was van mening dat geloof in God als schepper en de wetenschappelijke evolutietheorie elkaar niet uitsloten, een opvatting die destijds onder de gereformeerde achterban van de VU nog niet gebruikelijk was. Met zijn publicaties en voordrachten in het land, zou hij in het middelpunt van de belangstelling komen te staan in de soms verhitte debatten over geloof en wetenschap in de jaren vijftig en zestig.

    Bekijk volledige pagina

  32. Aardwetenschappen

    Met de benoeming van J. Wiggers, in 1957 tot lector, en in 1960 tot hoogleraar, werd een begin gemaakt met de aardwetenschappen aan de VU. In 1960 werd ook J.R. van de Fliert benoemd tot hoogleraar en in september 1960 startte de opleiding geologie, binnen de Wis- en Natuurkundige Faculteit. In 1987 werd geologie zelfstandig, waarna ze in 2002 weer zou worden samengevoegd met biologie tot Faculteit der Aard- en Levenswetenschappen. Net als de biologen kregen ook de geologen in de jaren zestig en zeventig te maken met de discussie over schepping en evolutie in de gereformeerde achterban van de VU. Net als J. Lever getroostte ook Van de Fliert zich veel moeite om te betogen dat scheppingsgeloof niet onverenigbaar is met de evolutietheorie en geologische theorieën over het ontstaan van de aarde. In de jaren tachtig, in het kader van de zogenaamde ‘Taakverdeling en Concentratie’, waarbij de overheid streefde naar vermindering van het aantal opleidingen in Nederland, zou de VU, na moeizaam overleg, uiteindelijk de UvA-geologen overnemen. Sociale geografie zou van de VU naar de UvA verhuizen.

    Bekijk volledige pagina

    J.R. van de Fliert en J.E. van Hinte, 1980 Anne Fortuin
  33. ‘De verre naaste’ en ontwikkelingssamenwerking

    In maart 1961 organiseerden VU-studenten het vijfdaagse congres ‘De verre naaste’ , waarin werd nagedacht over de positie en mogelijkheden van ontwikkelingslanden. Dit congres was een belangrijk moment in de geschiedenis van de betrokkenheid van de VU met de problemen van de derde wereld, die in de decennia die volgden heel belangrijk zou worden. In het kader hiervan werd in 1966 aan de VU als eerste Nederlandse universiteit een Bureau Buitenland opgezet. Daar werd onder meer voorlichting gegeven over behoeften, met name op wetenschappelijk vlak, van ontwikkelingslanden. Daarnaast gaf het bureau advies over het verstrekken van studiebeurzen aan studenten uit de Derde Wereld. Dit beleid kreeg een vervolg met de oprichting van het Centrum voor Dienstverlening Ontwikkelingssamenwerking (DOS) in 1984, dat in 1987 fuseerde met het Bureau Buitenland. In 2000 werd de naam omgedoopt in Centrum Internationale Samenwerking (CIS).

    Bekijk volledige pagina

    VU-docenten en studenten in Zaïre, ca. 1965-1971 Fotocollectie HDC
  34. Sociale wetenschappen & Psychologie

    In september 1963 startte de voorbereidingen voor de start van de nieuwe Faculteit Sociale Wetenschappen, die een jaar later officieel van start ging. Deze subfaculteit herbergde een aantal bestaande studierichtingen op sociologische gebied en op het gebied van de menswetenschappen: sociologie, niet-westerse sociologie en de culturele antropologie, psychologie en opvoedkunde. De faculteit werd opgedeeld in drie subfaculteiten: sociaal-culture wetenschappen, psychologie, en pedagogiek. In 1987 werden Sociale Wetenschappen enerzijds, en Pyschologie en Pedagogiek anderzijds, zelfstandige faculteiten. In 2015 gingen Psychologie & Pedagogiek samen met Bewegingswetenschappen, waarbij de Faculteit der Gedrags- en Bewegingswetenschappen ontstond.

    Bekijk volledige pagina
  35. Centrale Interfaculteit

    In 1964 werd de Centrale Interfaculteit opgericht, waarin de filosofen werden ondergebracht. Sinds de stichting wordt er al gefilosofeerd aan de VU - met name binnen de Faculteit der Letteren & Wijsbegeerte - , en met name door het werk van de twee filosofen Vollenhoven en Dooyeweerd in de jaren dertig had zich een originele school van denken ontwikkeld, die bekend stond als ‘Calvinistische wijsbegeerte’. Doordat alle studenten aan de VU colleges wijsbegeerte moesten volgen, had deze filosofie een centrale plaats. Vanaf 1964 kreeg de filosofie, ook organisatorisch deze centrale plaats toen de filosofen werden ondergebracht in een ‘Centrale interfaculteit’. Dit werd voorgeschreven in de nieuwe Wet op het Hoger onderwijs uit 1960, maar het paste ook goed bij het VU-ideaal waarin alle studenten geacht werden kennis te maken met de grond- en randvragen van hun vak. In 1987 werd de Centrale Interfaculteit  omgedoopt tot Faculteit Wijsbegeerte en verdween iets van deze centrale rol. In 2015 fuseerden de filosofen met Letteren tot Faculteit der Geesteswetenschappen, waarmee in feite de oorspronkelijk Faculteit der Letteren & Wijsbegeerte weer in ere was hersteld.

    Bekijk volledige pagina

  36. Meerjarig rectoraat W.F. de Gaay Fortman

    W.F. de Gaay Fortman werd in 1965 de eerste meerjarige rector, nadat dit ambt tot die tijd jaarlijks bij toerbeurt door een andere hoogleraar werd bekleed. De Gaay Fortman was eerder een jaar rector geweest, nu bleef hij het tot 1972. Hij had gestudeerd aan de VU en was sinds 1947 hoogleraar privaat- en arbeidsrecht; daarnaast was hij op tal van maatschappelijke terreinen actief. In 1972 werd hij, tot ongenoegen van zijn eigen partij, de ARP, minister van Binnenlandse zaken in het linkse kabinet-Den Uyl. In de roerige jaren van zijn rectoraat probeerde hij tegenstellingen tussen verschillende groepen binnen de VU te overbruggen, maar hij had ook een duidelijke eigen visie over de richting waarin de VU moest gaan. De luiken moesten open en de VU moest een ruimer oecumenisch karakter krijgen, maar wel met een duidelijke christelijke profiel houden.

    Bekijk volledige pagina

    W.F. de Gaay Fortman, 1962 Fotocollectie HDC
  37. Eredoctoraat Martin Luther King

    In 1965 ontving dominee Martin Luther King, een van de prominent leiders van de zwarte burgerrechtenbeweging in de Verenigde Staten, het eredoctoraat in de sociale wetenschappen. Het eredoctoraat werd uitgereikt door de hoogleraar sociologie G. Kuiper. Tweeëneenhalf jaar later, op donderdag 4 april 1968, werd King vermoord. De VU toonde zich, bij monde van de rector magnificus W.F. de Gaay Fortman geschokt. Vrijdag 5 april hield Fortman een rede waarin de verbijstering over en verbittering om het gebeurde nog doorklonken. Het idee ontstond om de herinnering aan King levend te houden middels een plaquette. Op 5 april 1982, onthulde rector magnificus H. Verheul een plaquette (naast het huidige Auditorium), die door kunstenares Fenna Westerdiep was gemaakt. Bekijk ook het dossier Martin Luther King eredoctor 1965.

    Bekijk volledige pagina

    Martin Luther King krijgt de kappa omgehangen door J. Lever. Fotocollectie HDC
  38. Opening Academische ziekenhuis en andere VU-gebouwen

    Op een bijeenkomst in de Rai, op 12 oktober 1966, verrichtte minister I.A. Diepenhorst de officiële opening van acht nieuw VU-gebouwen, waaronder het Academisch Ziekenhuis, maar ook het zogenaamde Provisorium, een tijdelijke gebouw, noodzakelijk om de sterk groei van de universiteit op te vangen voordat het nieuwe Hoofdgebouw gereed was. Rector W.F. de Gaay Fortman aanvaardde namens de universitaire gemeenschap de gebouwen met een toespraak. Bekijk filmopnamen van de opening.

    Bekijk volledige pagina

    Academisch Ziekenhuis en Hoofdgebouw, 1968 Fotocollectie HDC
  39. Benoeming H.M. Kuitert tot hoogleraar

    In 1967 werd H.M. Kuitert benoemd tot hoogleraar aan de Faculteit der Godgeleerdheid, met als leeropdracht ethiek en inleiding dogmatiek. Hij zou uitgroeien tot de meest spraakmakende theoloog van de VU. Kuitert had gestudeerd aan de VU en was in 1950 predikant geworden. Sinds 1965 was hij wetenschappelijk ambtenaar aan de VU, waar hij in 1962 cum laude promoveerde bij G.C. Berkouwer, hoogleraar dogmatiek. Als hoogleraar zou Kuitert een belangrijke rol spelen in de revolutionaire veranderingen die zich in de navolgende decennia voltrokken binnen de Faculteit der Godgeleerdheid van de VU en in de Gereformeerde Kerken. Kuitert ontwikkelde zich van een orthodox predikant tot een vrijzinnig publiekstheoloog. Na zijn emeritaat, in 1989, publiceerde hij nog vele boeken, waaronder Het algemeen betwijfeld christelijk geloof, dat in 1992 verscheen. Hij stelde dat geloofsvoorstellingen geen ‘waarheden’ zijn, maar producten van menselijke verbeelding, samengevat in zijn bekende oneliner: ‘Alle spreken over boven komt van beneden’. Kuitert was invloedrijk in zijn eigen generatie en die van zijn studenten. Voor buitenstaanders was hij het symbool voor de veranderingen die zich in deze periode voltrokken binnen de VU.

    Bekijk volledige pagina

    H.M. Kuitert, z.d. Fotocollectie HDC
  40. Senaatscongres ‘De toekomst van de Vrije Universiteit’

    Op 11 en 12 januari 1968 vond een senaatscongres plaats over ‘De toekomst van de Vrije Universiteit’ met lezingen van enkele hoogleraren over de vormgeving van het bijzondere, christelijke karakter, van de VU. De historicus W.J. Wieringa liet in zijn lezing ‘Balans van het verleden’ zien waarom de VU gesticht was, en hoe ze de gereformeerde identiteit had gekregen die haar lange tijd had gekarakteriseerd. De theoloog H.M. Kuitert sprak vooral over de theologische verschuivingen van het afgelopen decennium. Volgens Kuitert moest in de wetenschap, ook aan de VU, gewerkt worden ‘etsi deus non daretur’ (alsof God niet bestond). Rector W.F. de Gaay Fortman en bioloog J. Lever spraken over de ‘De toekomstige ontwikkeling van de Vrije Universiteit’. Volgens hen zou de VU, ook in de toekomst, zich kunnen onderscheiden door bijvoorbeeld, bij alle studierichtingen aandacht te geven aan de achtergrond van de vakwetenschappen, bijvoorbeeld met betrekking tot wereldbeschouwelijke en ethische problemen. Ook zou de VU zich moeten inzetten voor hulp aan ontwikkelingslanden, ‘de derde wereld’, vanuit christelijke dienstbaarheid.

    Bekijk volledige pagina

  41. Provisorium bezet

    In het jaar 1969 vonden allerlei studentenacties plaats aan Nederlandse universiteiten. Op 20 juni was de VU aan de beurt. Studenten eisten inspraak in het universiteitsbestuur: ‘democratisering’. Op 6 mei vond op de Katholieke Hogeschool in Tilburg de eerste bezetting plaats, waarbij de Hogeschool werd omgedoopt tot Karl Marxuniversiteit. De bekendste bezetting was die van het Maagdenhuis, het bestuurlijk centrum van de Universiteit van Amsterdam, die duurde van 16 mei tot 21 mei. Ook aan de VU begonnen links-radicale studenten, veelal actief in de studentenvakbond SRVU, zich te roeren. Nadat zij in juni 1969 een jaarvergadering van de VU-Vereniging in Assen hadden verstoord, werd, het toenmalige VU-bestuursgebouw, het Provisorium, bezet. De studenten wilden ook aan de VU een democratische bestuursstructuur en eisten medebeslissingsrecht voor alle geledingen in de universiteit. Tijdens de bezetting ging G.J. Sizoo, voorzitter van het college van directeuren, in discussie met de studenten. Zonder succes. Het bevel het gebouw te verlaten werd met luid gejoel ontvangen. Nadat meer studenten zich aansloten bij de bezetters, gaf Sizoo op 20 juni 1969 om vier uur ’s nachts de opdracht aan de politie het gebouw te ontruimen. De studenten werden ondergebracht in de manege aan de Marnixstraat bij het hoofdgebouw van de politie, waar ze de nacht moesten doorbrengen. Er volgden enkele roerige jaren, waarbij studenten herhaaldelijk overgingen tot bezetting van universiteitsgebouwen.

    Bekijk volledige pagina

    Marius Ernsting. VU-dagen, Assen, 1969 Fotocollectie HDC
  42. Hoofdgebouw in gebruik genomen

    De eerste paal voor het nieuwe Hoofdgebouw in Buitenveldert werd geslagen op 12 juni 1966 en de eerste twaalf verdiepingen werden in het najaar van 1970 vervroegd opgeleverd. De enorme ruimtenood van de VU ten gevolge van de snel groeiende studenten- en docentenaantallen maakte dit noodzakelijk. Op 12 april 1973 werd in aanwezigheid van koningin Juliana het hoofdgebouw officieel geopend. G.C. Berkouwer sprak bij deze gelegenheid over ‘De universiteit en de toekomst’, rector I.A. Diepenhorst memoreerde dat ‘terwijl Kuyper in 1880 met vijf studenten in de Schotse Zendingskerk begon, wij vandaag voor het eerst ons, gelet op de uitwendige voorzieningen, werkelijk volwaardige universiteit mogen noemen.’ En, voegde hij daaraan toe: ‘Voor wie enigermate uit het verleden leeft (…) heeft deze opening iets onwezenlijks.’

    Bekijk volledige pagina

    Opening Hoofdgebouw 1973, aula, met o.a. Koningin Juliana, prof. G.J. Sizoo (voorzitter VU-Vereniging). Fotocollectie HDC
  43. Honderd procent subsidie

    In de periode 1948-1970 kreeg de VU stapsgewijs meer overheidssubsidie. De VU groeide te snel om nog uit particuliere middelen bekostigd te kunnen worden. De overheid had al sinds het begin van de eeuw een deel van bepaalde kosten (voor universiteitsgebouwen bijvoorbeeld) gesubsidieerd. Na de Tweede Wereldoorlog kwam er geleidelijk meer subsidie, vooral voor de bètafaculteit en de medische faculteit. Sommigen stonden op het standpunt dat een 100% subsidie het gevaar in zich had van teveel overheidsbemoeienis, al waren zelfs de laatste paar procent directe ondersteuning (hetgeen wel in de miljoenen liep) aan het eind van de jaren zestig een forse last op de schouders van de Vereniging geworden. Uiteindelijk werd de subsidiering bij wet van 30 september 1970 op 100% bepaald, met terugwerkende kracht tot 1 januari 1968. De VU was nu niet meer afhankelijk van de Vereniging voor de geldelijke middelen en kwam daarmee ook inhoudelijk op grotere afstand te staan van die Vereniging. Aan de andere kant was ze echter minder ‘vrij’ van de staat. Bij de beoordeling van onderwijs en onderzoek zou de overheid een stevige vinger in de pap krijgen.

    Bekijk volledige pagina
  44. Nieuwe grondslag

    Vanaf de stichting van de VU was haar identiteit bepaald door de statuten van de Vereniging. In artikel 2 van de statuten van de Vereniging was deze identiteit in 1879 als volgt vastgelegd: ‘De Vereniging staat voor alle onderwijs dat in haar scholen gegeven wordt, geheel en uitsluitend op den grondslag der gereformeerde beginselen.’ Er was weliswaar voortdurend discussie geweest over de betekenis hiervan, maar in de jaren zestig kreeg de discussie over identiteit van de VU een fundamenteler karakter. In december 1964 werd er een ‘grondslagcommissie’ ingsteld, bestaande uit twee directeuren, twee curatoren en elf hoogleraren, onder voorzitterschap van de curator dominee P.N. Kruyswijk. Dit resulteerde in een ruimer geformuleerde grondslag van de Vereniging en bredere doelstelling van de universiteit. Gezocht was naar een formulering die aansloot bij de bestaande, maar die tevens perspectieven opende om nieuwe wegen in te slaan. De nieuwe grondslag van de Vereniging, aangenomen door de ledenraad van de Vereniging in februari 1971, luidde: ‘De Vereniging staat voor alle arbeid, welke van haar uitgaat (met name voor het wetenschappelijk onderwijs en onderzoek dat aan de Vrije Universiteit plaatsvindt), op de grondslag van het Evangelie van Jezus Christus, dat naar de openbaring in de Heilige Schrift de mens in zijn gehele leven roept tot de dienst en verheerlijking van de ene God, Vader, Zoon en Heilige Geest, en daarin tot dienst aan de medemens.’ De universiteit kreeg in de nieuwe bestuurlijke verhoudingen een eigen ‘doelstelling’ die aansloot bij deze grondslag: ‘De Universiteit stelt zich ten doel, overeenkomstig de grondslag der Vereniging, al haar arbeid in gehoorzaamheid aan het Evangelie van Jezus Christus te richten op het dienen van God en Zijn wereld.’

    Bekijk volledige pagina
  45. Democratisering en studentenbeweging

    In lijn met de nieuwe Wet Universitaire Bestuurshervorming (1970) van minister G. Veringa, kreeg ook de VU een democratische bestuursstructuur: een gekozen universiteitsraad (ingesteld op 19 april februari) en College van bestuur (31 augustus 1972). De oude bestuursstructuur, met een senaat (bestaande uit de hoogleraren), een college van directeuren en een college van curatoren, verdween. De Vereniging kwam op grotere afstand van de universiteit te staan. Na de eerste bezetting van het Provisorium in 1969, werden VU-gebouwen nog regelmatig bezet als studenten daartoe een aanleiding zagen. Met name in de sociale faculteit was het nog jarenlang onrustig. De Studenten Raad Vrije Universiteit (SRVU), die in 1947 was opgericht om belangen van studenten te behartigen, zou zich in de jaren zeventig ontwikkelen tot radicaal-links bolwerk. Als PKV (Progressieve Kiesvereniging) zette De SRVU discussies in de universiteitsraad op scherp. Als tegenhanger voor de radicaal-linkse SRVU werd begin 1972 de studentfractie Vrije Universiteit Studenten Organisatie (VUSO) opgericht. De maatschappelijk polarisatie van de jaren zeventig werd zo ook binnen de Vrije Universiteit weerspiegeld.

    Bekijk volledige pagina

    1976
  46. CPN-kwestie

    Midden jaren zeventig vond een verhitte discussie plaats over de kwestie of het lidmaatschap van de Communistische Partij Nederland (CPN) wel te verenigen was met het bekleden van functies in faculteitsraden en de universiteitsraad binnen de VU. De CPN was in deze periode invloedrijk onder de studenten van Nederlandse universiteiten. Hoewel onder VU-studenten die invloed waarschijnlijk iets minder direct was, volgde de CPN de ontwikkelingen binnen de VU nauwlettend. Met name veel SRVU-leden waren CPN-lid. Op 19 maart 1976 schreef de rector I.A. Diepenhorst in het VU-blad Ad Valvas een kritisch artikel over de actie van enkele studenten – waaronder studenten die in de universiteitsraad zaten - die tijdens de introductieperiode hadden opgeroepen om een abonnement op het communistische dagblad De Waarheid te nemen. Dit artikel zette de verhoudingen op scherp. Groepen binnen de universiteit kwamen tegenover elkaar te staan, de media berichtten hier uitvoerig over, verhitte debatten in de universiteitsraad, en scherpe polarisatie was het gevolg.
    Lees hierover ook: Ab Flipse, '"VU tussen twee VU-ren." De identiteit van de Vrije Universiteit in de jaren zeventig', in: Theologie, waarheidsliefde en religiekritiek. Over geloof en wetenschap aan de Nederlandse universiteiten sedert 1815, red. L.J. Dorsman en P.J. Knegtmans (Hilversum: Verloren 2014), 83-102.

    Bekijk volledige pagina

    I.A. Diepenhorst in een zaal met protesterende studenten, 25 maart 1977
  47. Bezinningscentrum

    In de ‘werkgroep doelstelling’ van de universiteitsraad ontstond het idee een Bezinningscentrum op te richten dat de universiteitsbrede overdenking van het bijzondere karakter van de VU moest stimuleren. Dit Bezinningscentrum ging in 1980 van start. Hoewel het altijd enigszins ‘in de marge’ zou opereren, zou in de loop van de jaren 1980 en 1990, met als nieuwe naam Blaise Pascal Instituut, uitgroeien tot een plek waar studie werd gemaakt van de relatie tussen geloof, wetenschap en samenleving. In 2008 besloot het CvB het Instituut echter te sluiten.

    Bekijk volledige pagina

  48. Eeuwfeest

    In 1980 werd het eeuwfeest van de VU uitgebreid gevierd en werd een groot aantal activiteiten georganiseerd. Rector magnificus H. Verheul hield op de Dies, 20 oktober 1980 in de Nieuwe Kerk in Amsterdam, 100 jaar nadat Abraham Kuyper daar zijn inwijdingsrede had gehouden, een rede onder de titel ‘Een eigen universiteit’. Kort voor de Dies was er ook een studiedag gehouden onder de titel ‘VU tussen twee vuren’, een initiatief van de universiteitsraad en een van de eerste activiteiten waarbij het nieuwe Bezinningscentrum betrokken was. Hier werd gediscussieerd over de betekenis van de doelstelling van de VU. Bekijk de filmbeelden van de eeuwfeestviering: VU in 't honderd: een impressie van het eeuwfeest

    Bekijk volledige pagina

    Rector magnificus H. Verheul, Dies 1980, Nieuwe Kerk Amsterdam Fotocollectie HDC
  49. ACTA: Academisch Centrum Tandheelkunde Amsterdam

    Sinds 1968 had de Faculteit Geneeskunde van de VU een subfaculteit Tandheelkunde. In 1984 ging deze intensief samenwerken met de subfaculteit Tandheelkunde van de Universiteit van Amsterdam. Deze samenwerking – in feite een samengaan - was een direct gevolg van de zogenaamde TVC-operatie (‘taakverdeling en concentratie’), waarbij de overheid streefde naar vermindering van het aantal opleidingen in Nederland. In 1983 werd de eerste stap gezet voor een gezamenlijke organisatie van de VU en de UvA, maar aanvankelijk hielde beide subfaculteiten hun ondersteunende afdelingen. Uiteindelijk was een gemeenschappelijke organisatie nodig voor de onderwijsadministratie, voor de studentenadministratie, voor het maken van het rooster van het onderwijsprogramma en allerlei andere zaken. Op 20 maart 1987 nam de minister een definitieve beslissing ten aanzien van de Tandheelkunde-opleidingen in Nederland. Van de vijf faculteiten werd die van de Rijksuniversiteit Utrecht opgeheven. De opleiding van de VU en de UvA konden blijven bestaan, omdat zij al in een instituut functioneerden. Het fusieproces van de Tandheelkunde-opleidingen van de VU en de UvA was op 1 januari 1988 formeel voltooid. ACTA beschouwde zichzelf vanaf dat moment als de centrale tandheelkundevestiging in Nederland. In 1989 vierde ACTA zijn eerste lustrum. In datzelfde jaar legden de eerste ACTA-studenten hun tandartsexamen af. ACTA was tot 2010 gevestigd aan de Louwesweg in Amsterdam-West. Daarna in de nieuwbouw op de campus in Buitenveldert.

    Bekijk volledige pagina

    ACTA, juli 2015 Foto: Ab Flipse
  50. Nederlands Tweelingen Register

    Op 1 februari 1987 werd het Nederlands Tweelingen Register (NTR) opgericht aan de VU. In het register staat een groot aantal gezinnen met tweelingen ingeschreven. Deze tweelingen worden gevolgd vanaf hun geboorte in hun ontwikkeling. Het doel van het NTR is het onderzoeken van de bijdrage van erfelijke aanleg aan persoonlijkheid, groei, ontwikkeling, ziekte en risicofactoren voor bepaalde ziektes. Door het onderzoek naar tweelingen kan nagegaan worden in welke mate verschillen tussen personen toegeschreven moeten worden aan erfelijke en aan omgevingsfactoren. Inmiddels staan meer dan 175.000 meerlingen – en ouders, broers en zussen – ingeschreven, waarmee het een van de grootste tweelingregisters ter wereld is. Prof. Dorret Boomsma stond aan de wieg van het tweelingenregister. In 2002 ontving zij de Spinozaprijs. In 2014 is ze door de KNAW tot akademiehoogleraar benoemd. Website: Nederlands Tweelingen Register Bekijk ook de video: Dorret Boomsma, laureaat Prijs Akademiehoogleraren 2014

    Bekijk volledige pagina

  51. Bewegingswetenschappen

    In 1971 werd de Interfaculteit Lichamelijke Opvoeding, opgericht. Doel was ‘langs wetenschappelijke weg kennis ontwikkelen die vruchtbaar is voor het handelingsveld van de lichamelijke opvoeding’. Het onderzoek richtte zich enerzijds op de opvoedkunde; anderzijds op de anatomie, biomechanica en inspanningsfysiologie. Later verschoof de aandacht naar onderzoek van het centrale zenuwstelsel dat een belangrijke rol speelt in de bewegingssturing en het leren van motorische vaardigheden. In 1987 werd de interfaculteit omgevormd tot de Faculteit Bewegingswetenschappen. Een spraakmakende vondst van VU-bewegingswetenschappers was de klapschaats, die voor een revolutie in de schaatssport zou zorgen. Onderzoeker G.J. van Ingen Schenau, sinds 1973, aan de faculteit verbonden (sinds 1992 hoogleraar), ontwikkelde deze klapschaats met zijn medewerkers. De klapschaats is een scharnierende schaats die het mogelijk maakt de beenspieren volledig te strekken zonder dat de punt van de schaats zich in het ijs boort en de vaart remt.

    Bekijk volledige pagina

  52. Nieuwe huisstijl: de Griffioen

    In januari 1990 voerde de VU een nieuwe huisstijl in om de herkenbaarheid van de VU bij het publiek te vergroten. Centraal stond de blauwe griffioen en een nieuwe schrijfwijze van de naam, beide ontworpen door het Amsterdamse bureau BRS Premsela Vonk. De voorzitter van het CvB Harry Brinkman schreef over het fabeldier de griffioen: ‘De griffioen nodigt uit tot ontcijferen van de identiteit van de universiteit’. Brinkman gaf zelf een ‘proeve’ van een dergelijke ontcijfering: ‘Wetenschap wordt beoefend met de benen op de grond van de ervaring, en met een royale vlucht van verbeelding. De wisselwerking van verbeelding en ervaring is speelser, grilliger, grimmiger ook, minder grijpbaar dan logische regels veronderstellen. In die wisselwerking klopt het hart van de wetenschap, dankzij creativiteit, vasthoudendheid en kritische zin van haar beoefenaars.’ In 1994 werd een blauwe griffioen ook op de gevel van het hoofdgebouw bevestigd. Bekijk ook de film over het nieuwe logo.

    Lees over de invoering van de griffioen ook: Ab Flipse 'Van Maagd naar Griffioen: over identiteit en corporate identity'

    Bekijk volledige pagina

  53. Start HOVO-cursussen

    In het najaar van 1990 werd aan de VU een eerste cursusaanbod van Hoger Onderwijs voor Ouderen (HOVO) aangeboden, een project dat geïnitieerd was door H. van den Berg, destijds hoogleraar Sociale Gerontologie. Circa 200 cursisten namen deel aan een handvol cursussen. In de jaren die volgden zou HOVO uitgroeien tot een niet weg te denken cursusaanbieder binnen de Vrije Universiteit, bedoeld voor iedereen vanaf vijftig jaar. HOVO biedt inmiddels per jaar ca. 130 cursussen op het gebied van kunstgeschiedenis, filosofie, geschiedenis, religie, psychologie, muziek, letteren, exacte vakken en meer. Docenten van HOVO zijn afkomstig van de Vrije Universiteit of daarbuiten. In 2015 wordt het 25-jarig bestaan gevierd. Zie: lustrum HOVO Amsterdam

    Bekijk volledige pagina

  54. Reclamecampagne ‘Leesplankje’

    In 1992 start de VU als een van de eerste Nederlandse universiteiten een studentenwervingscampagne. Het bekende leesplankje met ‘Aap, Noot, Mies’ vormde het uitgangspunt van deze campagne, waarbij elke woord op creatieve wijze was verbonden met een studierichting. Voor deze langlopende en zeer succesvolle campagne won de VU in 1998 een zilveren Effie.

    Bekijk volledige pagina

  55. Sociale wetenschappers verlaten stadspanden

    In de jaren 1994-1996 verhuisden de laatste afdelingen van de Faculteit der Sociaal-Culturele wetenschappen naar de campus in Buitenveldert. De faculteit was als laatste van de VU-faculteiten nog deels gevestigd in verschillende panden in Oud-Zuid: de Van Eeghenstraat 112, Prins Hendriklaan 27-29, Koningslaan 22-24 en 31-33. Hiermee kwam een eind aan de periode dat de VU verspreid was geweest over talloze ‘stadspanden’ in Amsterdam. Sinds de aankoop van de grond in Buitenveldert was het doel geweest een campusuniversiteit te vormen, waar alle faculteiten gevestigd waren. Er was aanvankelijk ook een apart gebouw voor de gamma-faculteiten ingepland. Sterk groeiende studentenaantallen en geldgebrek doorkruisten de oorspronkelijke plannen, waardoor allerlei stadpanden nog decennia in gebruik zouden blijven. In 1996 kwam hier een einde aan: ‘De laatste schepen komen nu langzaam binnen’, schreef Ad Valvas.

    Bekijk volledige pagina

  56. Wet Modernisering Universitair Bestuur (MUB)

    Met ingang van 1 september 1998 werd de structuur van het universitair bestuur gewijzigd door de Wet Modernisering Universitaire Bestuursorganisatie (MUB). Deze ingrijpende organisatieverandering leidde tot een versteviging van de positie van het College van Bestuur. Bij de VU werd de Universiteitsraad opgeheven. Voor de medezeggenschap van het personeel bleef de Ondernemingsraad bestaan en daarnaast werd in 1998 een Universitaire Studentenraad ingesteld. Een en ander zou op termijn ook gevolgen hebben voor de relatie tussen VU en VU-Vereniging. Het bestuur van de Vereniging werd in 2001 opgevolgd door een Raad van Toezicht, waarvan de leden door het verenigingsbestuur werden benoemd.

    Bekijk volledige pagina
  57. VUMC

    In 2001 fuseerden de Faculteit der Geneeskunde en het Academisch Ziekenhuis tot het VUMedisch Centrum. Het VUMC kreeg een nieuwe logo: een variant op de Griffioen van de VU.

    Bekijk volledige pagina

  58. Bachelor / master structuur

    In september 2002 werd aan de VU, net als aan de andere Nederlandse universiteiten, de Bachelor-Master-structuur ingevoerd. Een driejarig programma leidt op tot Bachelor (BA of BSc), daarna kan nog één (of twee) jaar worden gestudeerd voor de Master (MA of MSc).

    Bekijk volledige pagina
  59. Samenwerking VU-Windesheim

    Rond 2000 begon VU steeds meer samen te werken met de Hogeschool Windesheim in Zwolle. Na de invoering van de Bachelor-master-structuur streefden veel universiteiten naar samenwerking met het HBO, en de christelijke hogeschool Windesheim leek een natuurlijke partner voor de VU. Een bestuurlijke fusie kwam tot stand in 2005. In de loop der tijd zijn de instellingen echter weer ontvlochten; in 2009 werd de bestuurlijke fusie beëindigd.

    Bekijk volledige pagina
  60. VU-Uilenstede

    Per 30 juni 2008 verhuisde enkele diensten van de campus naar een aantal gehuurde kantoorgebouwen in Amstelveen, die ‘VU-Uilenstede’ werden genoemd, omdat ze dichtbij het studentencentrum liggen. Ook het College van Bestuur vestigde zich hier. In 2013 keerde het CvB weer terug naar de campus. In 2015 volgde de dienst Communicatie en Marketing.

    Bekijk volledige pagina

  61. Nieuwbouwplannen campus

    In 2010 werden de eerste plannen gelanceerd om de VU-campus opnieuw in te richten. In aansluiting op ontwikkelingen aan de Zuidas presenteerden VU en VUMC hun ideeën voor nieuw- en verbouwactiviteiten in wat nu genoemd werd het ‘kenniskwartier'.

    Zie hiervoor ook:
    Campus in ontwikkeling op vu.nl
    Gert-Jan Burgers, Ab Flipse & Linda van Maaren, Brains, Buildings, Business: de Vrije Universiteit en Zuidas CLUE+ Research Institute, Vrije Universiteit Amsterdam 2019
    Ab Flipse, 'De Vrije Universiteit Amsterdam als cité universitaire: Tussen gebouwencomplex en campus', A. Flipse, & A. Streefland (Eds.), De universitaire campus: Ruimtelijke transformaties van de Nederlandse universiteiten sedert 1945 (HIversum: Verloren, 2020)

    Bekijk volledige pagina

  62. Samenwerking in Amsterdam AAA

    In 2012 presenteerden de VU en de Universiteit van Amsterdam plannen om een aantal wetenschappelijke allianties te vormen, onder de naam Amsterdam Academic Alliance (AAA).

    Bekijk volledige pagina
  63. 135-jarig bestaan

    In 2015 vierde de VU haar 135-jarig bestaan. Ter gelegenheid hiervan werd onder meer de bundel Verder kijken: honderdvijfendertig jaar Vrije Universiteit Amsterdam in de samenleving, gepubliceerd.

    Bekijk volledige pagina

  64. Aanpassing statuten VUVereniging

    Na eerdere wijziging van het 'grondslagartikel' in de statuten van de VU-Vereniging in de jaren zeventig, werd in 2016 een nieuwe formulering gekozen die aansloot bij de huidige rol van de Vereniging en identiteit van de universiteit. De nieuwe formulering luidt: "Voortbouwend op haar christelijke oorsprong wil de Vereniging bijdragen aan een betere wereld, een wereld waarin rechtvaardigheid, medemenselijkheid en verantwoordelijkheid voor elkaar en voor de wereld centraal staan. Zij onderkent en waardeert de rol die levensbeschouwing en zingeving hierbij spelen.
    Zij stimuleert de Stichting VU en de Stichting VUmc om zich hierdoor bij de inrichting van onderwijs, onderzoek en zorg te laten inspireren."

    Bekijk volledige pagina

  65. Abraham Kuyperjaar

    In het academisch jaar 2020-21 viert de Vrije Universiteit haar 140-jarig bestaan. Ook is het dit jaar honderd jaar geleden dat Abraham Kuyper overleed. Kijk hier voor het programma voor het Kuyperjaar.

    Bekijk volledige pagina